Op 14 januari 1944 stegen 496 Lancasters en 2 Halifaxes op van verschillende vliegbasissen in Engeland om deel te nemen aan het eerste belangrijke bombardement op Braunschweig, Duitsland van dat jaar. Lancaster DV287 SR-N met Piloot Joe Slater en zijn bemanning, nam deel aan de missie als lid van de ‘Pathfinder Group’ en was uitgerust als ABC-Lancaster. Het toestel was één van drie Lancasters van het RAF 101 Squadron die verloren zijn gegaan tijdens deze missie.

De gevlogen route

Lancaster DV287 SR-N steeg als ABC-Lancaster van RAF 101 Squadron met een ongebruikelijke bemanning van negen man rond 16:45 uur (Engelse tijd) op van vliegbasis RAF Ludford Magna, om deel te nemen aan de missie naar Braunschweig, die voor Lancaster DV287 SR-N tevens de laatste zou zijn.

Airborne Cigar (ABC) is een stoorzender die de frequenties van Duitse nachtjagers stoorde. Voor de bediening van de ABC-apparatuur was een extra bemanningslid toegevoegd.

Aan de andere kant van Het Kanaal was de Duitse nachtjager met als piloot Oberleutnant Martin Drewes en zijn boordschutter Unteroffizier Erich Handke van het IV./NJG1, die avond om 17:55 uur opgestegen van Leeuwarden. Het toestel was toegewezen aan de gevechtsleiding van het radarpeilstation ‘Eisbar’ bij Sondel. De bemanning van de Duitse nachtjager bleek niet in staat om een aanval uit te voeren, voornamelijk doordat hun vliegtuig nog was uitgerust met de oude ‘Lichtenstein’ radar. Dit type radar werd die nacht gestoord door de strookjes zilverpapier “Window”, die door de Engelse bommenwerpers werden uitgeworpen.

De bemanning van de Duitse nachtjager: Oberleutnant Martin Drewes en Unteroffizier Erich Handke

Rond 18:30 uur werd de Duitse nachtjager door de gevechtsleider naar een bommenwerper geleid en tien minuten later werd Lancaster DV287 SR-N waargenomen door de Duitse nachtjager op een hoogte van 19.500 ft. (+- 6000m). Lancaster DV287 SR-N werd geheel onopgemerkt door de bemanning, aangevallen door de Duitse nachtjager en werd beschadigd aan de romp en aan de linker vleugel. Vrijwel direct brandde de linker vleugel en daarna brak er ook brand uit in de romp van het toestel. Lancaster DV287 SR-N had brandstof aan boord voor nog vijf uur vliegen en daarnaast ook de complete bommenlast. Al snel greep het vuur verwoestend om zich heen.

Korte tijd later stortte Lancaster DV287 SR-N al brandend naar beneden en explodeerde vlak boven de grond, op “20 km ten noordoosten van Meppel”, zoals Handke in zijn logboek optekende. Acht bemanningsleden van Lancaster DV287 SR-N kwamen bij de crash om het leven.

Proces-verbaal over het neerstorten van Lancaster DV287 SR-N

Eén van de lichamen lag dicht bij de boerderij. “Het was een knappe jonge kerel, hij droeg een parachute en was in de zachte grond geslagen”. Herinnerde boer Hoving zich nog. Het negende bemanningslid, Alexander H. Walmsley, wist met de hulp van het verzet te ontkomen. Hij was voor deze missie extra aan de bemanning van Lancaster DV287 SR-N toegevoegd. Toen het toestel aangeschoten werd, wist hij tijdig met zijn parachute af te springen. Hij landde net over de grens in Duitsland, waarna hij zich westwaards begaf en al snel Nederland binnenstapte.

Doordat de standaard bemanning van een Lancaster zeven bemanningsleden telde, en aangezien de Duitse militairen acht gesneuvelde bemanningsleden aantroffen, gingen zij er niet vanuit dat er zelfs nog een negende bemanningslid kon zijn.

In de loop van de nacht klopte Alexander H. Walmsley aan de deur van de woning van de familie Albert Bos te Zuidbarge, enkele kilometers ten zuidoosten van Emmen. Hij wist niet goed wat hij met deze vreemde vlieger moest aanvangen. Hierop ging hij naar de heer Van den Horst, een architect te Emmen. Deze haalde de heer Henk Iedema erbij. Henk Iedema (26) was destijds inspecteur van de Distributiediensten in Drenthe, en zorgde onder meer voor de nodige bonkaarten voor de plaatselijke onderduikers. Bos deed zijn verhaal en voegde er aan toe: “Wat het is weet ik niet; het is een soldaat, maar hij spreekt geen Duits.”

Inmiddels was de vreemdeling door Bos naar de familie Bouwsema gebracht, een aan de Dordsestraat wonende handelaar. Iedema, die wel begreep dat dit geen klusje was om ‘even’ te regelen, besloot zijn zwager, leraar Krijnen, erbij te halen. Deze was niet alleen enkele jaren ouder dan hijzelf, maar sprak bovendien goed Engels. Iedema en Krijnen gingen naar Bouwsema om de vreemdeling op te halen. Het enig beschikbare vervoermiddel was de fiets en de vreemdeling zou achter op de bagagedrager moeten plaatsnemen. Al gauw bleek toen dat het hier ging om een Engelse vlieger, afkomstig uit de bommenwerper die, naar hij inmiddels te weten was gekomen, die nacht achter Zwartemeer was neergestort.

Omdat de man vrij ernstig aan een van zijn knieën was gewond, werd besloten hem eerst naar het kosthuis van Iedema te brengen: diens buurmeisje en verloofde wist iets van verpleging af en zou eerst de knie behandelen voordat ze de Engelsman, inmiddels bekend geworden als ‘Alex Walmsley’, per fiets via het Rolderveld naar Assen zouden brengen. Hier zou een collega van Iedema zich over de ‘evadee’ ontfermen. Maar het liep niet allemaal volgens wens: Iedema slaagde er niet meteen in met zijn collega in contact te komen. Goede raad was duur.

Na het nodige overleg werd contact gezocht met familie van vrienden uit Borger, die in Assen naast het gebouw van een Duitse instantie, mogelijk de Ortskommandantur, woonde. Deze familie was direct bereid de Engelsman voor die nacht op te nemen.

Iedema wist dat er voor de ingang van het door de Duitsers gevorderde huis een schildwacht stond. Niet direct een aanlokkelijk vooruitzicht – het had iets van het hol van de leeuw -, maar wel veilig als men eenmaal binnen was! Alexander H. Walmsley kreeg de instructie dat hij bij het passeren van de schildwacht zijn hand naar voren moest steken voor de Hitlergroet en daarbij maar iets moest mompelen. Henk Idema zou het wel voordoen. Men ging op weg en arriveerde bij het bewuste huis. Met opgeheven arm en kloppend hart Iiepen ze langs de gehelmde soldaat. De Duitser nam zowaar de houding aan; even later waren ze veilig binnen.

De volgende dag, op 16 januari, werd Alexander H. Walmsley daar weer vandaan gehaald en ondergebracht bij Henk Koops, bij wie hij de nacht van 16 op 17 doorbracht. De dag daarop werd hij door twee medewerkers per trein naar Brabant gebracht. In Eindhoven zat hij ondergedoken bij de familie van der Steen aan het Humboldtplein. Leo van Druenen (ook bekend als Lelox) en Paul van Reybroek pikten Walmsley daar op en brachten hem naar Nijnsel waar hij verbleef in het huis van de familie van den Broek. Op 28 januari werd hij door Paul Reybroek en Gerard Wassenberg naar het huis van de familie Otten in Erp gebracht. Op dit adres hield Walmsley zich 55 dagen schuil.

Links: Alexander H. Walmsley in vliegersuitrusting

Een maand later kreeg hij daar gezelschap van zes Amerikanen. Omdat zeven ondergedoken vliegeniers te veel was, verhuisden twee Amerikanen de volgende dag naar het huis van Piet Barten (Schansoord 56, Erp). Op 22 maart vertrokken Walmsley en vier Amerikanen naar Bakel waar Toon Corstens hen ‘afleverde’ bij dokter Nelemans in de Schoolstraat. Nelemans bracht deze vijf naar de boerderij van de familie Crooymans en op 4 april gingen de vier Amerikanen over naar het huis van de familie Manders in Bakel. Walmsley bleef bij de familie Crooymans waar hij zich verstopte in de hooiberg in de schuur. Helaas werd hij overstuur en koppig en wilde zich overgeven. Daarom werd hij ook naar de familie Manders gebracht.

Alle zeven mannen trokken vervolgens van Bakel naar Deurne waar ze een schuilplaats vonden in het Patronaatsgebouw. Vanuit Deurne werden ze naar De Zwarte Plak gebracht, een ander veelgebruikt onderduikadres in de buurt van America waar ze vijftien dagen verbleven. De groep liep op 23 april naar de boerderij ‘De Eijkenhof’ van Cor van Staveren in Veulen bij Venraij. Ze werden op 29 april teruggebracht naar Deurne, om in een tuinhuisje van Jacques Goossens te verblijven.

In juni vond het verzet eindelijk een mogelijkheid om de mannen over de grens te krijgen. De groep van zes splitste zich op: Walmsley en twee Amerikanen gingen naar het station van Oostrum waar ze op een trein naar Maastricht stapten en vandaar naar Luik. Walmsley verborg zich hier in het huis van de familie Fraipont.

Op 8 augustus vertrok Walmsley per trein naar Brussel. Vanwege een luchtaanval was het al ‘Sperrzeit‘ toen ze in de Belgische hoofdstad aankwamen. Alle passagiers werden voorzien van een vergunning waarin werd uitgelegd waarom ze zich na de avondklok op straat begaven en de vliegeniers begonnen naar hun onderduikadres te lopen door hun begeleiders te volgen. Op een bepaald moment werden ze tegengehouden door een Duitse patrouille. Walmsley wist de Duitse soldaten in het Frans te antwoorden en kwam erdoor, maar een Amerikaan werd gearresteerd. Ondertussen waren hun begeleiders gevlucht zodat Walmsley nu alleen was. Na enige omzwervingen kwam hij terecht in een klooster in Sint-Pieters-Leeuw, een voorstad ten zuidwesten van Brussel. Van hieruit werd hij teruggebracht naar Brussel waar hij zich verborg op een adres in de buurt van de kathedraal.

Vanaf dit adres ging hij naar een boerderij in de omgeving van Namen en vervolgens naar een boswachterij bij Ombret. Van hieruit reisde hij oostwaarts naar het Ardennengebied. Hij verbleef daar korte tijd bij een jong stel en sloot zich uiteindelijk aan bij een groep Amerikanen die daar ondergedoken zaten. Gedurende de drie weken dat hij daar verbleef, had hij veel te lijden omdat de groep nauwelijks te eten had. Begin september 1944 werden ze bevrijd door het oprukkende Amerikaanse leger. Via Parijs en Londen kwam Walmsley op 13 september 1944 weer thuis aan, met een gewicht van slechts 45 kilo.

Laten we de herinnering levendig houden aan wat Pilot Officer Joseph Walter ‘Joe’ Slater, Flight Sergeant Maxwell Chambers Patterson, Flying Officer Alexander Hoyle Walmsley, Sergeant Arthur William Louis ‘Bob’ Schneider, Sergeant Peter ‘Jock’ Mitchell, Flying Sergeant Stanley Ernest ‘Stan’ Watchorn, Sergeant Leonard ‘Len’ Easdon, Flight Sergeant John Francis Stafford en Sergeant George Thomas ‘Mac’ McLatchie voor onze vrijheid deden.

Joseph W. Slater

Piloot

KIA

Maxwell C. Patterson

Co-piloot

KIA

Alexander H. Walmsley

Navigator

EVD

Arthur W.L. Schneider

Boordwerktuigkundige

KIA

Peter Mitchell

Radiotelegrafist

KIA

Stanley E. Watchorn

Bommenrichter

KIA

Leonard Easdon

Rugkoelepschutter

KIA

John F. Stafford

SpecOps ABC

KIA

George T. McLatchie

Staartschutter

KIA

De gesneuvelde bemanningsleden van Lancaster DV287 SR-N zijn begraven op de Commonwealth War Graves sectie van de Algemene Begraafplaats te Nieuw-Dordrecht.

Rust in vrede.

De graven van de bemanningsleden

Heeft u meer informatie over deze crash? Lever het aan!

Leave Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.