Breng mij naar het informatiepaneel!


In de nacht van 25 op 26 juni 1943 voerde de Royal Air Force een aanval uit op Gelsenkirchen met 473 bommenwerpers. Het doel werd tussen 01:02 en 02:07 uur gebombardeerd en de formatie werd ondersteund door twintig Fighter Command Intruder missies. Daarnaast waren er een aantal Boulton Paul Defiants die boven Het Kanaal zogenaamde Mandrel screen missies vlogen. Dit bestond uit radarstoring vanuit de lucht ter ondersteuning van de hoofdmacht. De Duitse luchtverdediging lanceerde 53 Himmelbett missies, waarbij de nachtjagers op aansturen van radarstations op de grond naar de Britse bommenwerpers werden geleid. De Duitse inspanningen waren relatief ineffectief: gehinderd door dichte bewolking en weinig maanlicht slaagden zij erin 31 Britse bommenwerpers neer te schieten.

Als onderdeel van de Duitse luchtverdediging was ook Bf 110G-4 Wnr. 5454, gevlogen door een onbekende bemanning, opgestegen. Het toestel behoorde toe aan 10. Staffel, Nachtjagdgeschwader 4 en zou zodoende opgestegen moeten zijn vanaf Mainz-Finthen. Een aantal toestellen waren echter tijdelijk toebedeeld aan I. Gruppe, Nachtjagdgeschwader 1. Mogelijk was dat ook het geval bij dit toestel, waardoor het vanaf Leeuwarden of Bergen (Noord-Holland) opgestegen zou moeten zijn.

Een aantal Bf 110G-4s van Nachtjagdgeschwader 1 tijdens een missie

Bron: BArch RL_10_706_0017

Waarna rond 03:00uur de meeste Britse bommenwerpers het Europese vasteland weer verlaten hebben keren ook de Duitse nachtjagers terug naar hun basissen. Zo ook Bf 110G-4 Wnr. 5454. Al snel blijkt dat het toestel echter te weinig brandstof meer heeft om een Duitse vliegbasis te bereiken. Boven Hollandscheveld werd waargenomen hoe het toestel met de boordlichten aan een aantal keer rondcirkelde. Uiteindelijk vond de bemanning een geschikt stuk land om een noodlanding uit te voeren. Het toestel kwam laag over de bossen vanuit het oosten aanvliegen en maakte vervolgens een buiklanding, waarbij een aantal patrijzen die niet op tijd weg konden komen het onderspit moesten delven.

De neus van het toestel was zwaar beschadigd. Hij zat vol met kogelgaten. Ook in de romp en de vleugels zaten kogelgaten. Eén van de vleugels was ook buiten dat aardig kapot, maar dat kan ook tijdens de ruwe buiklanding gebeurd zijn. Een zwart spoor van enige honderden meters gaf aan waar het vliegtuig langs geploegd was. Het was rakelings langs landbouwwerktuigen geschoven.” Blijk uit onderzoek van Albert Metselaar gepubliceerd in ‘Hoogeveen en de Luchtoorlog’.

Door de toegesnelde omstanders werd gezien hoe twee bemanningsleden ongedeerd het toestel verlieten. Ze vertelden dat ze 19 en 20 jaar oud waren en dat ze goede moed voor de volgende nacht hadden: “Vannacht gaan we weer, dan zullen we ze wel krijgen!”, zouden ze gezegd hebben. Tevens zou het hun tweede noodlanding geweest zijn. Vervolgens schoot de piloot zijn seinpistool af, om de in de omgeving bevindende Duitse soldaten te wijzen op zijn locatie. Eenmaal aangekomen werd de omgeving rond het toestel afgezet en werden de omstanders op afstand gehouden. Vanaf Leeuwarden kwam een demontageploeg, die het toestel, dat voor 20% beschadigd was, demonteerde en weg transporteerde. Dit proces werd uiteindelijk afgerond op 7 juli 1943.

De kogelgaten geven de indruk dat het toestel hoogstwaarschijnlijk onder vuur is genomen door een Britse bommenwerper. Mogelijk werd Bf 110G-4 Wnr. 5454 onder vuur genomen door de boordschutters van Halifax JD202. Zover bekend is dit de enige andere claim waarbij schoten zijn gelost op het Duitse toestel:

De rugkoepelschutter zag een onbekend vijandelijk tweemotorig vliegtuig vanuit bakboord achteraan naderen. Het vijandelijke vliegtuig opende het vuur met een lange salvo van kanonnen en machinegeweren op een afstand van ongeveer 400 meter. Ons vliegtuig draaide onmiddellijk naar bakboord en onze rugkoepelschutter vuurde een korte salvo af, maar claimde geen treffers. Het vijandelijke vliegtuig brak uit naar stuurboord achteraan. Rugkoepelschutter zag vervolgens een vijandelijk vliegtuig aanvallen vanaf bakboordzijde op een afstand van ongeveer 500 meter. Rugkoepelschutter vuurde een salvo af, maar claimde geen treffers en het vijandelijke vliegtuig brak uit en werd niet meer gezien. Rugkoepelschutter vuurde ongeveer 100 kogels af. Onze staartschutter vuurde niet omdat hij geen van beide aanvallen zag. Geen schade aan vliegtuig of bemanning.

Hoe dan ook, bij de noodlanding van Bf 110G-4 Wnr. 5454 werd ook schade aangericht. Hier wordt het volgende over vermeldt:

Op 26 Juni j.l. heeft op het land van H. Boessenkool, landbouwer te Zuideropgaande nr. 45 een noodlanding door een Duitsch militair vliegtuig plaats gehad. Tengevolge van deze landing zijn een afrastering en een wipkar vernield, een oppervlakte aardappelen en rogge vertrapt en moest 0,5 H.A. grasland ontijdig worden gemaaid.

Aanmerkelijke schade zou betrokkene verder hiervan ondervinden, dat het landednde vliegtuig door 2 H.A. van zijn land diepe geulen heeft veroorzaakt, welke, daar het hier betrekkelijk kort geleden ontgonnen dalgrond betreft, aanzienlijk grondwerk vereisen, voor de betrokken oppervlakte weer voor landbouwdoeleinden geschikt is. Ik verzoek U mij omtrent dit geval van oorlogsschade een rapport in den gebruikelijke vorm te doen toekomen, hetwelk kan worden doorgezonden aan de schade-enquete-commissie te Assen.

Waar belanghebbende de schade aan de afrasteringen onmiddellijk moet herstellen en de vernielde wipkar dadelijk moet vervangen, is het, in verband met zijn financieele omstandigheden, wenschelijk tevens een voorschotaanvrag op de voorgeschreven formulieren in te dienen.

Een ander rapport geeft meer inzicht in de details van de aangerichte schade:

Op 26 juni 1943 maakte een Duitsch militair vliegtuig een noodlanding op een complex landbougronden, geleden aan de oostzijde van het Zuideropgaande te Hollandscheveld en wel achter de woning van den eigenaar Hendrik Boessenkool. De Schade, welke hierdoor ontstond moet gesplitst worden in directe en indirecte schade.

Directe schade.

  1. Het vliegtuig raakte, voordat het den grond bereikte, een afrastering en vernielde over een lengte van ca. 10 meter deze afrastering, welke bestond uit palen van rondhout, waartegen twee stuks puntdraden.
  2. Vanaf het punt waarop het vliegtuig den grond raakte, taxiede het over een afstand van ca. 250 meter over het weiland en liet daarin twee duidelijk zichtbare sporen in den weken grond achter. Bovendien ontstond op de plaats, waar het toestel tot stilstand kwam, een brandplek in het gras.

Indirecte schade.

Hoewel ten wijde van het onderzoek geen sporen meer aanwezig waren van de hieronder te noemen schade (met uitzondering van de wipkar en het paard), is deze schade door ons getaxeerd op basis van mededelingen van den eigenaar en diens echtgenote.

  1. Op last van de Duitsche militaire autoriteiten moest 0,5 h.a. grasland ontijdig worden gemaaid.
  2. Door de bewoners uit den omtrek is een gedeelte van een korenakker en van een aardappelland vertrapt, toen zij op zoek waren naar het vliegtuig. Hierdoor leverden deze gedeelten geen opbrengst op.
  3. Door de Duitsche militaire overheid werd een paard en wipkar van Boessenkool, voornoemd, gevorderd voor vervoer van het vliegtuig naar den verharden weg. Ofschoon de huur hiervan onmiddellijk is voldaan, is geen vergoeding uitgekeerd voor:
    • de beschadiging van de wipkar, welke laatste volgens verklaring van den eigenaar voordien in goeden staat verkeerde, doch van het vervoer zoodanig heeft geleden dat deze niet weer gerepareerd kon worden
    • de omstandigheden, dat het paard tijdens het vervoer en tengevolgen van de zware vrachten een gescheurde hoef opliep, tengevolge waarvan het 5 weken op stal moest staan. Hierdoor kon het normale werk niet worden verricht en moest eenige malen het paard van één der buren worden geleend. Deze schade is opgegeven door de echtgenote van den eigenaar.

De directe schadegevallen, genoemd onder 1. en 2. zijn thans nog op het terrein aanwijsbaar. Het herstel hiervan werd door ons geschat op ƒ.20,- (twintig gulden). De indirecte schade achten wij, hoewel deze thans niet meer aanwijsbaar zijn, wel juist. De vergoeding hiervoor werd door ons getaxeerd op ƒ.145,- (éénhonderd vijfenveertig gulden).

Tegen de schadegevallen genoemd onder 3a en 3b, zijn wel eenige bedenkingen aan te voeren, Zo kan de erkenning van de juistheid dezer schade alleen steunen op verklaringen van den eigenaar dat de wipkar, voordat zij voor het omschreven doel gebruikt werd, in goede conditie verkeerde en op de verklaring van zijn echtgenote dat de gescheurde hoef van het paard inderdaad een gevolg is van de grote trekkracht, welke het tijdens het vervoer van het vliegtuig over den zachten grond moest ontwikkelen. Wij achten dit echter te eenzijdig dan dat wij op deze gegevens de juistheid der schade zonder meer durven aannemen. Ingeval echter tot een uitkering voor deze gevallen wordt besloten, dan wordt een vergoeding ƒ.250,- door ons als voldoende beschouwd..

De Directeur der Gemeentewerken, Ir. M. van Daalen

Laten we de herinnering levendig houden aan deze gebeurtenis en de onbekende bemanning.

Onbekend

Piloot

RTB

Onbekend

Radiotelegrafist

RTB

Heeft u meer informatie over deze crash? Lever het aan!

Bronnen:

  • Archief Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe
  • Bundesarchiv
  • Nachtjagd Combat Archives – Theo Boiten
  • Hoogeveen en de Luchtoorlog – Albert Metselaar

Leave Comment

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.