Breng mij naar het informatiepaneel!


Op 22 december 1943 lanceerde de Amerikaanse luchtmacht voor de laatste keer in 1943 een dagaanval. Deze keer waren Osnabrück en Münster het doel. In totaal stegen 574 Amerikaanse bommenwerpers op, die begeleid werden door 26 P-38 Lightnings, 418 P-47 Thunderbolts en 47 P-51 Mustangs. De Amerikaanse toestellen werden beperkt door het slechte weer en dichte wolkendek boven het continent, waardoor uiteindelijk ‘maar’ 434 bommenwerpers boven hun doel verschenen. Als reactie stuurde de Luftwaffe zeven Jagdgeschwadern (de drie Gruppe van Jagdgeschwader 1, twee Gruppe van Jagdgeschwader 11, de II. Gruppe van Jagdgeschwader 3, III. Gruppe van Jagdgeschwader 26 en III. Gruppe van Jagdgeschwader 54) en drie Zerstörergeschwadern (de drie Gruppe van Zerstörergeschwader 26) de lucht in.

Als onderdeel van de 228 B-17 Flying Fortresses die Münster als doel hadden, leverde de 95th Bomb Group 32 toestellen. Eén van deze toestellen was B-17G Flying Fortress 42-37766 ‘Princess Pat’, welke toebehoorde aan 334th Bomb Squadron en om 10:58 uur was opgestegen vanaf RAF Horham. Het toestel was beladen met 16x250lbs. bommen en werd gevlogen door de bemanning van Second Lieutenant Maurice Wesley Mangis. Het zou hun vierde missie zijn.

B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’ was vernoemd naar de dochter Patricia van piloot Second Lieutenant Maurice Wesley Mangis. Toen de bemanning stemde over de naam van het toestel bleek dat de zus van Sergeant Dale Wilfred Aldrich en de vriendin van Sergeant Anton Svoboda Jr. ook Patricia heetten

Er was niet veel discussie die ochtend. De piloot zei gewoon: “We gaan naar Münster.” We hadden allemaal de lijn op de kaart gezien. Iedereen wist dat dit allesbehalve een makkelijke vlucht zou worden. Münster lag dieper in vijandelijk grondgebied dan we ooit eerder hadden gevlogen, in Duitsland zelf. Het grootste probleem was dat we over Nederland moesten vliegen om er te komen. We zouden lange tijd boven land in de lucht zijn. Dat betekende een langere blootstelling aan flak en vijandelijke jachtvliegtuigen, een grotere kans om neergeschoten te worden. Het was bijna net zo gevaarlijk als naar Berlijn gaan, omdat de afstand die we boven vijandelijk gebied zouden afleggen bijna even groot was. Münster was alleen niet zo zwaar verdedigd als Berlijn.” Herinnerde Sergeant Dale Wilfred Aldrich, de buikkoepelschutter van de bemanning, zich.

De bemanning van B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’ voor ze naar Engeland verscheept werden. Staand, van links naar rechts: Mangis, Lembcke, Faragasso en Celusnak. Hurkend, van links naar rechts: Tracy, Dabney, McMaster, Short, Aldrich en Svoboda. Navigator Faragasso werd echter vervangen door Bennett.

Foto genomen tijdens het laatste deel van de opleiding te Walla Walla, Washington, september 1943

Voor meer informatie over de bemanning van B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’, klik op onderstaande uitvouwbare balk.

Maurice Wesley Mangis werd geboren op 31 januari 1916 als zoon van Elmer 'John' Mangis en Lillian Esther Warner te Salem, Oregon. Maurice had één zus (Helen) en één zusje (Louise).

Maurice volgde zijn onderwijs onder anderen aan Jefferson High School, waar hij zich bezighield met baseball en de aanvoerder van het basketbalteam was.

Op 16 juli 1938 trouwde Maurice met Frances LaVerne Weddle te Medford, Oregon. Het tweetal kreeg twee kinderen; dochter Patricia en zoon Jon.

Rond de tijd van de trouwerij werkte Maurice als vrachtwagenchauffeur. In 1940 werkte Maurice bij Oregon State Highway Department in Salem.

Op 16 maart 1942 meldde Maurice zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding. Hij volgde zijn pre-flight training te Santa Ana, Californië en ontving zijn wings te Yuma, Arizona in april 1943. Hier werd Maurice ook bevorderd tot officier en kreeg hij identificatienummer 'O-741923'. Maurice werd vervolgens toebedeeld aan een Bomb Group gestationeerd te Boise, Idaho als ci-piloot. Nadat Maurice zich opwerkte tot piloot werd hem in Ephrata, Washington zijn eigen bemanning gegeven. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Krantenartikel over het niet terugkeren van Maurice en plaatsgenoot Jack Bennett, The Oregon Daily Journal, 10 februari 1944

Maurice zag geen kans zichzelf tijdig in veiligheid te brengen en kwam bij de crash om het leven.

Maurice werd onderscheiden met een Purple Heart.

Donald Frank ‘Don’ Lembcke werd geboren op 7 september 1923 als zoon van Frank Lembcke en Hattie Paukner te Rochester, New York.  Don had één oudere zus (Jeanette) en één stiefzus (Eleanor).

Don volgde zijn onderwijs onder anderen aan East High School, waarna hij ging werken bij Bausch & Lomb Optical Company. 

Op 30 maart 1942 werd Don toegelaten tot de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij opgeleid tot co-piloot. Don volgde zijn pre-flight training te San Antonio, Texas en kreeg zijn wings uiteindelijk te Eagle Pass, Texas op 24 mei 1943. Op dit moment werd Don ook bevorderd tot officier en kreeg hij identificatienummer 'O-67989'.

Krantenartikel over het behalen van de wings en bevordering tot officier, waaronder Don (uiterst rechts, middelste rij) - Democrat and Chronicle, 30 mei 1943

In Ephrata, Washington werd Don vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Don zag geen kans zichzelf tijdig in veiligheid te brengen en kwam bij de crash om het leven.

Don werd onderscheiden met een Purple Heart.

Ernest James ‘Jack’ Bennett werd geboren op 6 september 1915 als zoon van Ernest Bennett en Ina Myers te Waterloo, Iowa. Jack was één van zes kinderen.

Jack volgde zijn onderwijs aan Benson High School en Albany College. Hierna ging hij aan het werk bij Bob's confectionery services.

Op 3 oktober 1935 trouwde Jack met Elizabeth Louise Purkey Schlewe te Pierce, Washington. Samen kregen zij een dochter (Janice) en een zoon (Gordon).

Op 28 december 1942 meldde Jack zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten en kon hij beginnen aan zijn opleiding tot navigator. Hij volgde zijn pre-flight training te Santa Ana, Californië, waar hij in de klas zat met Maurice Mangis.

Jack behaalde uiteindelijk in september 1943 te Mather Field zijn wings en werd bevorderd tot officier. Hij kreeg identificatienummer 'O-755165'. Hierna werd hij toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis, ter vervanging van de originele navigator Faragasso.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Krantenartikel over het niet terugkeren van Jack en plaatsgenoot Maurice Mangis, The Oregon Daily Journal, 10 februari 1944

Jack slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Eenmaal op de grond kwam hij weer in contact met Dick Dabney. Samen spraken zij een man aan wie later Arend Otten, wonende te Fluitenberg, bleek te zijn. Hij nam de twee Amerikanen mee en bracht het verzet op de hoogte van zijn 'bezoekers'. Het woord kwam terecht bij Johannes van Aalderen, waarop hij de Amerikanen nog dezelfde dag ophaalde en naar de Bentinckslaan in Hoogeveen bracht. 

Van hieruit bracht zijn neef Albert van Aalderen de beide vliegers naar het huis van de familie Van de Nie aan de Hoofdstraat 52 in Hoogeveen. Ondertussen nam Johannes van Aalderen contact op met Machiel Rombout (alias ‘Rob Kooymans’), de leider van de Landelijke Organisatie (LO) in het westelijke deel van de provincie Noord-Brabant. Rombout vroeg de LO-districtsleider Sytse Beinema uit Dordrecht of hij twee piloten kon onderbrengen. Beinema vond twee adressen in Dordrecht, zodat Jack en Dick op 30 december 1943 onder begeleiding van Hilde Dekker Hoogeveen verlieten en richting Breda vertrokken. Vanaf het station daar bracht Kooymans de mannen naar Dordrecht, waar Jack bij mevrouw de Vries in de Vriesestraat 32 en Dick bij Barend Berends in de Werkenmondestraat 22 werden ondergebracht, beiden in Dordrecht.

Op 6 januari 1944 kwamen Guus van den Broek en Paul Reybroek naar Dordrecht om Jack en Dick op te halen. Met de trein reisden de vier naar Best. Op het station daar voegde Gerard Wassenberg zich bij hen en de vijf mannen fietsten via Nijnsel naar Erp, waar de Amerikanen werden afgeleverd bij het ‘Pyama-huis’ van de familie Otten aan de Kerkstraat 6. Twee dagen later, op 8 januari 1944, brachten Harrie en Gerard Otten Jack en Dick naar Sevenum, waar ze onderdak vonden in het huis van de familie Vermeeren. Op 11 januari 1944 kwamen Wiel Houwen en Wim Crijns met de auto naar Sevenum en brachten hen naar het huis van Josephus Claessen in Helden. Een aantal dagen werden zij vergezeld door een derde Amerikaan (Staff Sergeant Charles Zesch). Wiel bracht de drie Amerikanen vervolgens naar het station van Venlo, waar ze werden overgedragen aan Antonius Mooren uit Vierlingsbeek. Ze namen de trein naar Vierlingsbeek en gingen naar de herberg van Moorens moeder. De drie piloten bleven daar veertien dagen.

Omdat het verzet de Amerikanen niet naar België kon brengen, nam Antonius contact op met ‘de Groot’ uit Zwolle, die waarschijnlijk lid was van de verzetsgroep ‘de Groene’. Deze groep had een eigen route naar het zuiden open voor hun ‘piloten’ en Antonius vroeg of zij de drie Amerikanen konden helpen. Zij stemden hiermee in en Antonius bracht hen op 24 januari 1944 per trein naar Zwolle. Vanaf het station werden ze naar het huis van Hendrikus Beernik aan de Harculostraat 6 in Zwolle gebracht, waar zijn vrouw Hendrika Beernik-de Riet voor de bezoekers zorgde. Ze bleven hier tot 27 januari 1944, toen ze moesten verhuizen omdat de Duitsers een zoektocht in de stad Zwolle begonnen. De vliegeniers werden naar het huis van Ebert van Rooyen aan de Gladiolenstraat 18 in Zwolle gebracht. Ze bleven hier zeven dagen en gingen toen terug naar het zuiden van Nederland.

Vervolgens, op 3 februari 1944, werden de drie Amerikanen naar Rotterdam gebracht. Hier verbleven zij ongeveer anderhalve maand en wisselde om de aantal dagen van onderduikadres. Klaarblijkelijk wekte dit weinig vertrouwen, want de drie Amerikanen kregen de indruk dat het verzet niet instaat was om hun uit Nederland te helpen. Samen met Martinus Hoogenraad werd een plan gesmeed om België in te komen. De drie Amerikanen werden overgedragen aan Cornelis Hendrik van de Engels, die hen vervolgens naar het huis van Jack van Dongen aan de Graaf Florissstraat 105 in Rotterdam bracht. In de vroege ochtend van 13 april begeleidden Hoogenraad en Michael Perelaer de drie Amerikanen naar de Belgische grens bij Baarle-Nassau.

Toen ze de grens met België overstaken, werden ze aangehouden door Duitse grenswachten. Ze begonnen te rennen en de grenswachten begonnen op hen te schieten. Gelukkig slaagden ze erin te ontsnappen en drie dagen lang liepen de drie vliegers op eigen kracht door België. Op 16 april kwamen ze terecht bij Hoeve De Ploeg van de familie Aerts in Herselt-Blauberg. Ze vroegen Louis Aerts of ze in zijn hooiberg mochten slapen en Aerts zei dat dat goed was. Hij nam ook contact op met de ‘Witte Brigade’, een Belgische verzetsgroep. Een lid van deze groep interviewde de drie Amerikanen meerdere keren om hun geloofwaardigheid te controleren. De volgende dag werden zij naar de boerderij van de familie Cannaearts in Heultje gebracht. Ze bleven hier enkele dagen en verhuisden vervolgens naar Mechelen, waar ze drie weken bij meubelmaker Franckx verbleven. Op 21 juni ging Franckx naar een bijeenkomst met zijn vrienden van het verzet, maar kwam niet thuis. Hij werd gearresteerd en de volgende ochtend om 11:00 uur werden Jack, Dick en Charles Zesch door de Duitsers gearresteerd en afgevoerd naar een krijgsgevangenenkamp.

Jack werd afgevoerd naar Stalag Luft I. Jack vertelde dat de omgang in het kamp niet slecht was, ondanks dat de gevangenen te weinig voedsel hadden. Dit werd versterkt toen de voedselpakketten van het Rode Kruis niet meer aankwamen vanaf januari 1945. Het kamp werd op 30 april 1945 bevrijdt door Russische troepen van het Rode Leger. De bevrijde mannen werden koninklijk behandeld totdat ze door Amerikaanse vliegtuigen naar Reims in Frankrijk werden gevlogen, aldus Jack.

Jack landde in Boston en bleef na zijn terugkomst nog enige tijd bij de luchtmacht in dienst, tot hij op 10 november 1946 eervol met ontslag ging. Op 21 oktober 1951, met de Koreaoorlog aan de gang, meldde Jack zich opnieuw aan voor bij de luchtmacht. Hij werd wederom toegelaten en werd uitgezonden naar Korea. Jack verliet definitief de dienst op 31 juli 1962 als Lieutenant Colonel. Jack was onderscheiden met een Purple Heart, Distinguished Flying Cross en Air Medal met twee Oak Leaf Clusters.

Jack en zijn vrouw Betty besloten hierop een blokhut te bouwen in de White Mountains van Arizona, en in 1997 verhuisden ze naar Omaha om dichter bij familie te zijn. In 2004 werd bij Jack en Betty alzheimer gediagnostiseerd en gingen zij samen het verpleeghuis in. Dochter Janice vertelde "de verpleegsters vertelde me dat ze urenlang met elkaar praatten gedurende de nacht".

Jack kwam op 16 februari 2008 te overlijden te Omaha, Nebraska. Hij werd begraven te Arlington National Cemetery. Betty overleed een aantal weken later, op 4 maart 2008. Jack en Betty werden gedeeltelijk gezamenlijk uitgestrooid in de White Mountains.

Jack en Betty worden gezamenlijk herdacht te Arlington National Cemetery

Leonard Joseph ‘Len’ Celusnak werd geboren op 18 september 1919 als zoon van Joseph Paul Celusnak en Susan Margaret Tokar te Minneapolis, Minnesota. Len was de oudste van vier kinderen, met drie zusjes: Marion (1921), Gertrude (1923) en Rosella (1925).

Na zijn basisonderwijs ging Len naar De La Salle High School. Na hier zijn diploma behaald te hebben studeerde hij door aan St. Thomas College en vervolgens na drie jaar aan de University of Minnesota. 

Begin 1942 meldde Len zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot bommenrichter. Deze volgde Len onder andere te Childress, Texas, waar hij in mei 1943 zijn wings en promotie tot officier behaalde. Hierna kreeg Len identificatienummer 'O-681522'.

Krantenknipsel over drie cadetten (waaronder Len, linksboven afgebeeld) uit Minneapolis die hun wings hebben behaald, Times the Picture Paper 13 mei 1943

In Ephrata, Washington werd Len vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Len slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Hij werd al snel gevangen genomen en werd ingeladen in de wagen waar ook Bill Tracy, Dale Aldrich en Tony Svoboda al zaten. Na een bezoek aan de crashlocatie werden de vier richting Amsterdam gebracht. 

Op 27 december 1943 werden de gevangenen per trein vervoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Na hier ondervraagd te zijn werd Len overgeplaatst naar Stalag Luft I, hier verbleef hij zo'n 17 maanden tot zijn bevrijding en terugkeer naar Amerika.

Eind juni 1945 kwam Len weer aan in Amerika en ging hij weer terug aan de studie, waarna hij uiteindelijk op 24 november 1945 eervol werd ontslagen. Ook zag Len kans om een boek 'Genius (jg)' te publiceren. Hierin stonden vier short stories, acht gedichten, twee toneelstukken en verschillende cartoons die hij tijdens zijn gevangenschap heeft gemaakt.

In oktober 1946 hielp Len als verpleger en student van St. Thomas College in Fort Snelling Hospital, gedurende de polio uitbraak. Met zijn fotocamera maakte hij vele foto's van de patiënten die hij naar hun familie stuurde en ondertussen hun dag opvrolijkte. 

Op 26 november 1960 trouwde Len met Susan Margaret Sanders te Hennepin, Minnesota. Samen kregen zijn drie kinderen.

Len kwam op 11 januari 1998 te overlijden in Roseville, Minnesota en werd begraven te New Brighton, Minnesota op de Saint John the Baptist Cemetery.

Richard Clark ‘Dick’ Dabney werd geboren op 31 augustus 1917 als zoon van Robert Clark Dabney en Oshel Henrietta Woods te Champaign, Illinois. Dick had twee zussen en één broer. In 1921 verhuisde het gezin naar Ohio, waar het zich vestigde in Gailia County. Hier volgde Dick zijn onderwijs aan Bidwell-Porter High School en Ohio State University, waar hij zijn diploma haalde in agricultuur.

Schoolfoto van Dick gedurende zijn tijd op de Ohio State University, 1936

Na zijn opleiding voltooid te hebben werkte Dick voor korte tijd in 1940 bij Shreve Board of Education in Shreve, Ohio. Hierna ging hij werken als landelijk supervisor voor de Farm Security Administration in Pike County.

Op 5 oktober 1942 meldde Dick zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten en kon hij beginnen aan zijn opleiding tot radiotelegrafist. Dick kreeg identificatienummer '35447983'.

In Ephrata, Washington werd Dick vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Dick slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Eenmaal op de grond kwam hij weer in contact met Jack Bennett. Samen spraken zij een man aan wie later Arend Otten, wonende te Fluitenberg, bleek te zijn. Hij nam de twee Amerikanen mee en bracht het verzet op de hoogte van zijn 'bezoekers'. Het woord kwam terecht bij Johannes van Aalderen, waarop hij de Amerikanen nog dezelfde dag ophaalde en naar de Bentinckslaan in Hoogeveen bracht. 

Van hieruit bracht zijn neef Albert van Aalderen de beide vliegers naar het huis van de familie Van de Nie aan de Hoofdstraat 52 in Hoogeveen. Ondertussen nam Johannes van Aalderen contact op met Machiel Rombout (alias ‘Rob Kooymans’), de leider van de Landelijke Organisatie (LO) in het westelijke deel van de provincie Noord-Brabant. Rombout vroeg de LO-districtsleider Sytse Beinema uit Dordrecht of hij twee piloten kon onderbrengen. Beinema vond twee adressen in Dordrecht, zodat Jack en Dick op 30 december 1943 onder begeleiding van Hilde Dekker Hoogeveen verlieten en richting Breda vertrokken. Vanaf het station daar bracht Kooymans de mannen naar Dordrecht, waar Jack bij mevrouw de Vries in de Vriesestraat 32 en Dick bij Barend Berends in de Werkenmondestraat 22 werden ondergebracht, beiden in Dordrecht.

Op 6 januari 1944 kwamen Guus van den Broek en Paul Reybroek naar Dordrecht om Jack en Dick op te halen. Met de trein reisden de vier naar Best. Op het station daar voegde Gerard Wassenberg zich bij hen en de vijf mannen fietsten via Nijnsel naar Erp, waar de Amerikanen werden afgeleverd bij het ‘Pyama-huis’ van de familie Otten aan de Kerkstraat 6. Twee dagen later, op 8 januari 1944, brachten Harrie en Gerard Otten Jack en Dick naar Sevenum, waar ze onderdak vonden in het huis van de familie Vermeeren. Op 11 januari 1944 kwamen Wiel Houwen en Wim Crijns met de auto naar Sevenum en brachten hen naar het huis van Josephus Claessen in Helden. Een aantal dagen werden zij vergezeld door een derde Amerikaan (Staff Sergeant Charles Zesch). Wiel bracht de drie Amerikanen vervolgens naar het station van Venlo, waar ze werden overgedragen aan Antonius Mooren uit Vierlingsbeek. Ze namen de trein naar Vierlingsbeek en gingen naar de herberg van Moorens moeder. De drie piloten bleven daar veertien dagen.

Omdat het verzet de Amerikanen niet naar België kon brengen, nam Antonius contact op met ‘de Groot’ uit Zwolle, die waarschijnlijk lid was van de verzetsgroep ‘de Groene’. Deze groep had een eigen route naar het zuiden open voor hun ‘piloten’ en Antonius vroeg of zij de drie Amerikanen konden helpen. Zij stemden hiermee in en Antonius bracht hen op 24 januari 1944 per trein naar Zwolle. Vanaf het station werden ze naar het huis van Hendrikus Beernik aan de Harculostraat 6 in Zwolle gebracht, waar zijn vrouw Hendrika Beernik-de Riet voor de bezoekers zorgde. Ze bleven hier tot 27 januari 1944, toen ze moesten verhuizen omdat de Duitsers een zoektocht in de stad Zwolle begonnen. De vliegeniers werden naar het huis van Ebert van Rooyen aan de Gladiolenstraat 18 in Zwolle gebracht. Ze bleven hier zeven dagen en gingen toen terug naar het zuiden van Nederland.

Vervolgens, op 3 februari 1944, werden de drie Amerikanen naar Rotterdam gebracht. Hier verbleven zij ongeveer anderhalve maand en wisselde om de aantal dagen van onderduikadres. Klaarblijkelijk wekte dit weinig vertrouwen, want de drie Amerikanen kregen de indruk dat het verzet niet instaat was om hun uit Nederland te helpen. Samen met Martinus Hoogenraad werd een plan gesmeed om België in te komen. De drie Amerikanen werden overgedragen aan Cornelis Hendrik van de Engels, die hen vervolgens naar het huis van Jack van Dongen aan de Graaf Florissstraat 105 in Rotterdam bracht. In de vroege ochtend van 13 april begeleidden Hoogenraad en Michael Perelaer de drie Amerikanen naar de Belgische grens bij Baarle-Nassau.

Toen ze de grens met België overstaken, werden ze aangehouden door Duitse grenswachten. Ze begonnen te rennen en de grenswachten begonnen op hen te schieten. Gelukkig slaagden ze erin te ontsnappen en drie dagen lang liepen de drie vliegers op eigen kracht door België. Op 16 april kwamen ze terecht bij Hoeve De Ploeg van de familie Aerts in Herselt-Blauberg. Ze vroegen Louis Aerts of ze in zijn hooiberg mochten slapen en Aerts zei dat dat goed was. Hij nam ook contact op met de ‘Witte Brigade’, een Belgische verzetsgroep. Een lid van deze groep interviewde de drie Amerikanen meerdere keren om hun geloofwaardigheid te controleren. De volgende dag werden zij naar de boerderij van de familie Cannaearts in Heultje gebracht. Ze bleven hier enkele dagen en verhuisden vervolgens naar Mechelen, waar ze drie weken bij meubelmaker Franckx verbleven. Op 21 juni ging Franckx naar een bijeenkomst met zijn vrienden van het verzet, maar kwam niet thuis. Hij werd gearresteerd en de volgende ochtend om 11:00 uur werden Jack, Dick en Charles Zesch door de Duitsers gearresteerd en afgevoerd naar een krijgsgevangenenkamp. Hij zat de rest van de oorlog uit als krijgsgevangene tot hij in april 1945 werd bevrijdt.

Na zijn terugkeer in Amerika ging Dick werken bij Farm Security Administration voor vier jaar, en gaf ook vier jaar les in Jamestown. Dick trouwde met Barbara Lou Rader. Samen kregen zij drie kinderen.

Dick werkte vervolgens acht jaar bij Greene County Farm Bureau Cooperative Association als accountant, waarna hij deel uitmaakte  van de staff. Dick wist zich op te werken tot County Auditor.

Dick bij zijn benoeming tot County Auditor, 1963

Dick kwam op 25 maart 1981 te overlijden in Gallipolis, Ohio. Hij werd begraven op Vinton Memorial Cemetery te Vinton, Ohio.

William Ronald ‘Bill’ Tracy werd geboren op 15 maart 1922 als zoon van Ronald Allan Tracy en Mabel Lamore te Hudson Falls, New York. Bill had twee zussen: Ethel (1914)  en Marion (1917). Bill's vader kwam al in september 1939 te overlijden, waarna Bill 2/3 van zijn vaders landgoed kreeg.

Bill volgde zijn onderwijs aan Hudson Falls High School en slaagde vervolgens aan de State Agriculture School te Cobleskill. Na zijn onderwijs ging Bill werken bij Dairy Express in Fort Edward, New York.

Op 21 september 1942 meldde Bill zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot boordwerktuigkundige. Hij kreeg identificatienummer '32491515'. Bill volgde zijn basisopleiding te Amarillo, Texas.

In Ephrata, Washington werd Bill vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Bill slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Eenmaal met beide benen op de grond zag hij Dale Aldrich en Tony Svoboda. Met zijn drieën hadden zij een kort besef moment, toen een Nederlandse politieman hun benaderde. Hij wees hun naar een bosje waar ze moesten schuilen. Na lange tijd wachten zagen zij dezelfde politieman naderen, echter ditmaal met een dozijn Duitse militairen aan zijn zijde. Na gevangengenomen te zijn werd het drietal achterin een wagen geladen die hun na de crashlocatie reed. Onderweg werd ook Len Celusnak nog ingeladen in de wagen. Na een bezoek aan de crashlocatie werden de vier richting Amsterdam gebracht. 

Op 27 december 1943 werden de gevangenen per trein vervoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Na hier ondervraagd te zijn werd Bill, samen met Dale Aldrich en Tony Svoboda op de trein gezet richting Stalag XVII B te Gneixendorf, Oostenrijk. Ondanks dat ze in hetzelfde deel van het kamp zaten, splitste de drie zich op. Zowel Bill als Tony Svoboda vonden een kameraad uit hun geboortedorp waar zij bij aansloten.

Op 1 april 1945 werd het kamp ontruimd door het naderende Rode Leger. De gevangenen werden opgedeeld in kleinere groepen en aan het marsen gezet, richting Duitsland. Toevallig eindigden Bill, Dale Aldrich en Tony Svoboda in dezelfde groep. Na een aantal weken marcheren werd een kamp opgezet in een bos op de Duits-Oostenrijkse grens, niet ver van Braunau am Inn (de geboorteplaats van Adolf Hitler). In dit kamp verbleven de gevangenen ongeveer een week, toen er op een dag een Amerikaans officier kwam aangelopen "Ik zag niet waar hij vandaan kwam, maar toen hij ongeveer halverwege de open plek was, klom hij op een boomstronk en zei: “Jullie zijn niet langer krijgsgevangenen.” Dat was alles. Toen klom hij van de stronk af en liep weg. Hij was een kapitein - de lelijkste man die ik ooit heb gezien.", vertelde Dale Aldrich

Uiteindelijk was het 8 mei 1945 toen de voormalig krijgsgevangenen per vliegtuig naar Frankrijk werden gevlogen. Vanaf Nancy namen ze de trein naar Le Havre om hier op de boot terug naar Amerika te stappen.

Krantenknipsel over de bevrijding van Bill, The Post Star 19 juni 1945

Na zijn bevrijding in april 1945 keerde Bill terug naar Amerika, waar hij uiteindelijk op 7 november 1945 eervol werd ontslagen.

Bill kwam op 5 augustus 1992 te overlijden in Cobleskill, New York.

Dale Wilfred Aldrich werd geboren op 23 februari 1921 als zoon van Clifford Heath Aldrich en Beatrice Pearl Plunkett te Coulee City, Washington. Dale was één van zes kinderen, met twee broers en drie zusjes. Allebei de broers kwamen al vroeg te overlijden.

Op 4 augustus 1942 werd Dale opgeroepen zich te melden voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten en kon hij beginnen aan zijn opleiding. Hij kreeg identificatienummer '39184867'. Dale vertelde: "Tot Pearl Harbor was ik niet echt voor de oorlog. Daarna ging iedereen die ik kende bij een tak van het leger en ik wilde ook gaan. Mijn moeder was bang dat ik me zou aanmelden; ze liet me zweren dat ik dat niet zou doen. Ze had al twee zonen aan ziekte verloren - ik was de enige jongen die nog in het gezin over was - en ze wilde mij niet ook nog verliezen. Mama wilde gewoon dat ik thuis bleef en in de herfst weer naar de universiteit ging. Ik heb mijn belofte aan mijn moeder gehouden. Ik heb me niet vrijwillig aangemeld, maar dat was vooral omdat ik wist dat het toch geen zin had. En ja hoor, in juli kreeg ik mijn oproepbrief. Die begon met de woorden: “Je vrienden en buren hebben jou gekozen...” Ik vond dat nogal grappig. Ik wou dat ik die brief had bewaard, maar dat heb ik niet gedaan."

Dale werd eerst opgeleid tot monteur in St. Louis, waarna hij naar San Antonio, Texas werd overgeplaatst waar Dale ging werken als vliegtuigmonteur. Dit beviel hem echter niet, en toen hij hoorde dat de luchtmacht boordschutters nodig had meldde hij zich meteen aan. Na nog een keuring begon Dale aan zijn opleiding te Laredo, Texas. Hier slaagde hij in juni 1943, waarna Dale naar Salt Lake City, Utah werd gestuurd om af te wachten waar hij vervolgens heen moest. Dit bleek Moses Lake, Washington te zijn. "Jeetje! Moses Lake lag maar op ongeveer een uur rijden van mijn woonplaats."

In Ephrata, Washington werd Dale vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Dale slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Eenmaal met beide benen op de grond zag hij Bill Tracy en Tony Svoboda. Met zijn drieën hadden zij een kort besef moment, toen een Nederlandse politieman hun benaderde. Hij wees hun naar een bosje waar ze moesten schuilen. Na lange tijd wachten zagen zij dezelfde politieman naderen, echter ditmaal met een dozijn Duitse militairen aan zijn zijde. Na gevangengenomen te zijn werd het drietal achterin een wagen geladen die hun na de crashlocatie reed. Onderweg werd ook Len Celusnak nog ingeladen in de wagen. Na een bezoek aan de crashlocatie werden de vier richting Amsterdam gebracht. Eenmaal in Amsterdam was Dale stomverbaasd toen hij zijn voormalige navigator Faragasso tegen kwam. Hij was verwijderd uit de originele bemanning van Maurice Mangis en overgeplaatst naar een nieuwe bemanning die snel een navigator nodig hadden om naar Engeland te gaan. Dit toestel werd op 26 november 1943 neergeschoten boven Friesland.

Op 27 december 1943 werden de gevangenen per trein vervoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. "De Duitsers stopten me in een cel voor mezelf. Ik wist niet waar ze Bill en Tony naartoe brachten, maar ik ging ervan uit dat ze ook elk hun eigen cel hadden gekregen. Dit was de eerste keer dat we gescheiden waren sinds we gevangen waren genomen. Mijn cel was erg klein, ik schat ongeveer 2,5 bij 2,5 meter. De kamer was schoon, maar er stond niets in behalve een tafel en een stoel en een veldbed met een laken erop. Geen dekens. Er hing één lamp aan het plafond, maar er was geen verwarming. Ook geen toilet. Ook hier moest ik weer op de deur bonken als ik wilde dat een bewaker me naar het toilet bracht. Er was wel een raam , maar dat zat te hoog om iets te kunnen zien."

"Een keer per dag kwamen de bewakers me halen om me naar iemands kantoor te brengen voor ondervraging. Het was nooit dezelfde persoon die me ondervroeg, maar de sessies duurden meestal ongeveer even lang, ongeveer een half uur per keer. Het was beter om ondervraagd te worden dan in die cel te zitten, in eenzame opsluiting. Het was meestal donker, dus ik sliep het grootste deel van de tijd, behalve wanneer de bewakers me wakker maakten voor maaltijden of meer ondervragingen. Het was niet dat ik op dat moment mentaal of fysiek zo uitgeput was; ik denk dat de reden dat ik zoveel sliep, verveling was.

Er was een Duitse kolonel. Ze brachten me naar zijn kantoor en lieten me alleen met hem achter. Hij zat achter een bureau toen ik binnenkwam en ik zag dat hij een ander soort uniform droeg. Ik weet zeker dat hij bij de SS hoorde. Al snel keek hij me aan en begon hij in het Engels alle feiten over onze bemanning op te sommen. Hij kende al onze namen en alle details. Ik dacht dat hij misschien zelfs de foto van ons had gezien die in The Spokesman Review stond. Hij stelde me geen enkele vraag, hij vertelde me gewoon alles wat hij al wist. Er was iets anders aan zijn houding. Hij was vrolijker en meer ontspannen dan de andere ondervragers die ik had gehad, en hij sprak heel zacht. Hij bood me zelfs een sigaret aan. “Wil je een Chesterfield?”, zei hij. Ik rookte eigenlijk Camels, maar ik nam hem aan. Hij gaf me een lucifer om hem aan te steken en ik rookte hem daar in zijn kantoor op. Ik dacht dat dit misschien wel de laatste keer was dat ik ondervraagd zou worden. En dat was ook zo."

Dale werd vervolgens op de trein gezet die hem naar Stalag XVII B te Gneixendorf, Oostenrijk bracht. Ook Bill Tracy en Tony Svoboda zaten in deze trein. Ondanks dat ze in hetzelfde deel van het kamp zaten, splitste de drie zich op. Zowel Bill Tracy als Tony Svoboda vonden een kameraad uit hun geboortedorp waar zij bij aansloten. In het kamp was weinig te doen, met een illegale radio bleef Dale op de hoogte van de loop van de oorlog. De rest van zijn tijd bracht hij door met praten maar vooral met sigaretten roken.

Identificatiefoto van Dale, genomen bij zijn aankomst in Stalag XVII B

Bron: The Belly Gunner

Op 1 april 1945 werd het kamp ontruimd door het naderende Rode Leger. De gevangenen werden opgedeeld in kleinere groepen en aan het marsen gezet, richting Duitsland. Toevallig eindigden Dale, Bill Tracy en Tony Svoboda in dezelfde groep. Na een aantal weken marcheren werd een kamp opgezet in een bos op de Duits-Oostenrijkse grens, niet ver van Braunau am Inn (de geboorteplaats van Adolf Hitler). In dit kamp verbleven de gevangenen ongeveer een week, toen er op een dag een Amerikaans officier kwam aangelopen "Ik zag niet waar hij vandaan kwam, maar toen hij ongeveer halverwege de open plek was, klom hij op een boomstronk en zei: “Jullie zijn niet langer krijgsgevangenen.” Dat was alles. Toen klom hij van de stronk af en liep weg. Hij was een kapitein - de lelijkste man die ik ooit heb gezien."

Uiteindelijk was het 8 mei 1945 toen de voormalig krijgsgevangenen per vliegtuig naar Frankrijk werden gevlogen. Vanaf Nancy namen ze de trein naar Le Havre. Hier werd Dale opgenomen in het hospitaal voor dysenterie, waar hij al een tijd mee liep. Na vijf dagen in het hospitaal wilden de dokters hem nog langer houden, maar Dale was bang om zijn boot te missen. "Ik was bang dat ik het schip zou missen waarmee ik naar huis zou gaan, dus ik huilde bijna en smeekte hen om me te laten gaan. Uiteindelijk gaf een arts toe en zei dat hij mijn ontslagformulier zou ondertekenen als ik beloofde mijn penicilline te blijven innemen." Een dag voordat de boot eindelijk vertrok kwam Dale zijn radiotelegrafist, Dick Dabney nog tegen. Tot die tijd had Dale altijd gedacht dat Dick Dabney bij de crash om het leven was gekomen.

Eind mei kwam Dale dan eindelijk aan in Amerika. Op 19 november 1945 werd hij eervol ontslagen. Op 5 juli 1946 trouwde Dale met Wanda Lea, na op blind date te zijn gegaan met haar die was opgezet door wat vrienden. Het tweetal kreeg vier kinderen. In 1984 scheidde het tweetal, waarna Dale in 1986 met Lila Lowe trouwde. 

Op een dag, toen Dale achter de bar van de lokale bar in Coulee City stond kwam er opeens een vreemdeling binnen. "De man keek me recht aan en zei: “Waar was je op 22 december 1943?” Ik zei: “Ik sprong uit een vliegtuig, net als jij.” Het was Jack Bennett, de navigator. Ik had hem sinds de dag dat we werden neergeschoten niet meer gezien, maar ik herkende hem meteen toen hij binnenkwam." Het tweetal spendeerde de rest van de dag om bij te praten over hun ervaringen en levensloop vanaf 22 december 1943 tot dan.

In 1996 reisden Dale en Lila af naar Oostenrijk waar ze een bezoek brachten aan de locatie waar tijdens de oorlog Stalag XVII B te vinden was. 

Dale en Lila bleven samen wonen tot Dale in oktober 2000 in verband met afnemende gezondheid naar een revalidatiehuis moest. Dale kwam uiteindelijk op 7 augustus 2001 te overlijden in Ephrata. Hij werd vervolgens begraven te Vineland Cemetery in Clarkston, Washington.

William Henry ‘Bill’ McMaster werd geboren op 21 juni 1915 als zoon van Henry Griffin en Elizabeth McMaster te Yazoo County, Mississippi. Bill had één zusje (Mattie, 1918).

Na zijn basisonderwijs volgde Bill nog vier jaar onderwijs aan de lokale college. Vervolgens ging hij werken als verkoper in een wasserette.

Nog voor de oorlog trouwde Bill met Melanie B. Samen gingen zij in Belzoni, Mississippi wonen. 

Op 4 november 1942 meldde Bill zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot boordschutter. Bill kreeg identificatienummer '34477207'.

In Ephrata, Washington werd Bill vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Bill slaagde er niet in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen en kwam bij de crash om het leven.

Jack Bevery Short werd geboren op 22 december 1922 als zoon van William en Dora Short te Bay City, Michigan. Jack was de jongste van tien kinderen.

Jack volgde zijn onderwijs aan meerdere scholen, waaronder Corbin, T.L. Handy Junior High en Central High School. 

Op 22 oktober 1942 meldde Jack zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot boordschutter. Jack kreeg identificatienummer '16148558'. Jack volgde zijn opleiding tot boordschutter te Kingman, Arizona waar hij eind juni 1943 klaar was.

In Ephrata, Washington werd Jack vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Jack slaagde er niet in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen en kwam bij de crash om het leven. Jack werd postuum onderscheiden met een Purple Heart.

Anton 'Tony' Svoboda Jr. werd geboren op 1 februari 1920 als zoon van Anton Svoboda en Katerina Petrik te Granton, Wisconsin waar zijn vader een boerderij had. Tony was de jongste van vier kinderen. 

Rond 1925 verhuisde het gezin naar Cicero, een buitenstad van Chicago. Hier kwam Tony's moeder in 1930 te overlijden. 

Na zijn onderwijs afgerond te hebben ging Tony werken bij Barrett Bindery in Chicago.

Op 7 oktober 1942 meldde Tony zich aan voor bij de Amerikaanse luchtmacht. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot boordschutter. Tony kreeg identificatienummer '16128300'. Tony volgde zijn opleiding tot boordschutter te Keesler Field, Mississippi en behaalde zijn schuttersdiploma te Arlington, Texas.

In Ephrata, Washington werd Tony vervolgens toebedeeld aan de bemanning van Maurice Mangis. Gezamenlijk rondden zij het laatste deel van de opleiding af te Walla Walla, Washington in september 1943.

Hierna werd de bemanning in oktober toebedeeld aan 334th Bomb Squadron, 95th Bomb Group die vloog vanaf RAF Horham in Engeland. Hier vlogen zij vier missies, waarbij de bemanning van de missie op 22 december 1943 niet terug zou keren.

Tony slaagde er in zichzelf tijdig in veiligheid te brengen. Eenmaal met beide benen op de grond zag hij Dale Aldrich en Bill Tracy. Met zijn drieën hadden zij een kort besef moment, toen een Nederlandse politieman hun benaderde. Hij wees hun naar een bosje waar ze moesten schuilen. Na lange tijd wachten zagen zij dezelfde politieman naderen, echter ditmaal met een dozijn Duitse militairen aan zijn zijde. Na gevangengenomen te zijn werd het drietal achterin een wagen geladen die hun na de crashlocatie reed. Onderweg werd ook Len Celusnak nog ingeladen in de wagen. Na een bezoek aan de crashlocatie werden de vier richting Amsterdam gebracht. 

Op 27 december 1943 werden de gevangenen per trein vervoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Na hier ondervraagd te zijn werd Tony, samen met Bill Tracy en Dale Aldrich op de trein gezet richting Stalag XVII B te Gneixendorf, Oostenrijk. Ondanks dat ze in hetzelfde deel van het kamp zaten, splitste de drie zich op. Zowel Tony als Bill Tracy vonden een kameraad uit hun geboortedorp waar zij bij aansloten.

Op 1 april 1945 werd het kamp ontruimd door het naderende Rode Leger. De gevangenen werden opgedeeld in kleinere groepen en aan het marsen gezet, richting Duitsland. Toevallig eindigden Bill Tracy, Dale Aldrich en Tony in dezelfde groep. Na een aantal weken marcheren werd een kamp opgezet in een bos op de Duits-Oostenrijkse grens, niet ver van Braunau am Inn (de geboorteplaats van Adolf Hitler). In dit kamp verbleven de gevangenen ongeveer een week, toen er op een dag een Amerikaans officier kwam aangelopen "Ik zag niet waar hij vandaan kwam, maar toen hij ongeveer halverwege de open plek was, klom hij op een boomstronk en zei: “Jullie zijn niet langer krijgsgevangenen.” Dat was alles. Toen klom hij van de stronk af en liep weg. Hij was een kapitein - de lelijkste man die ik ooit heb gezien.", vertelde Dale Aldrich

Uiteindelijk was het 8 mei 1945 toen de voormalig krijgsgevangenen per vliegtuig naar Frankrijk werden gevlogen. Vanaf Nancy namen ze de trein naar Le Havre om hier op de boot terug naar Amerika te stappen.

Eenmaal terug in Amerika ging Tony wonen te Highwood, Illinois. Hier kwam hij zijn toekomstige vrouw, Ada Muzzarelli, tegen. Het tweetal trouwde op 9 maart 1946 met elkaar in de St. James Church van Highwood. Het tweetal kreeg één zoon.

Tony kwam op 24 november 1979 te overlijden in Highwood. Hij werd begraven te Ascension Cemetary, Libertyville. 

Ik herinner me dat toen we die ochtend nog in de barakken waren, onze uitrusting aantrokken en ons klaar maakten om naar de startbaan te rijden, een van de jongens zei: “Ik denk niet dat ik deze keer mee wil. Het is mijn verjaardag, weet je.” Hij maakte maar een grapje, maar het was echt zijn eenentwintigste verjaardag. Dat was Jack Short. Vlak voordat we opstegen, overhandigde ik mijn pistool aan de chef van de grondbemanning. Dat was altijd het laatste wat ik deed voor een bombardementsmissie. Mijn portemonnee ook. Ik zei tegen hem dat als er iets met mij zou gebeuren, hij het geld of iets anders dat hij wilde mocht hebben, zolang hij de rest maar terugstuurde naar mijn ouders. Hij beloofde dat hij dat zou doen.

Het duurde even voordat we in onze positie in de formatie zaten. Ik weet niet zeker hoeveel Fortresses er in totaal gingen; het leken er minstens honderd of meer. Voor zover ik wist waren we allemaal op dezelfde missie. Ik weet niet of dat ongewoon was of niet, want ik heb nooit echt met iemand gesproken buiten mijn eigen bemanning. Onze hoogte was ongeveer 25.000 voet. Ik weet dat de Duitsers radar hadden om het luchtverkeer te zien, maar ze hadden het waarschijnlijk niet nodig om te zien welke kant we opgingen. Ze hoefden alleen maar omhoog te kijken en onze contrails te zien. Ik herinner me dat ik luchtafweer zag. Het was alsof je door een zwart gordijn vloog. Ik had geen open ramen in de buikkoepel, dus ik kon de granaten niet horen ontploffen. Het moeten er veel geweest zijn om al het afweergeschut te creëren dat ik die dag zag. Ik begreep niet hoe de Duitsers ons niet hadden kunnen raken. Of ze schoten heel slecht, of de granaten ontploften vanzelf voordat ze onze hoogte konden bereiken. Het moet rond het middaguur zijn geweest toen we merkten dat we moeite hadden om onze formatie bij te houden. De superchargers van twee van onze vier motoren werkten niet goed en we verloren hoogte. Ik wist dat ons vliegtuig die week niet het gebruikelijke onderhoud en reparatie had gehad omdat een andere bemanning het een paar dagen eerder nodig had gehad voor een missie. Ik weet het niet zeker, maar dat kan de reden zijn geweest dat onze motoren ons die dag zoveel problemen gaven.

Het vliegtuig bleef maar hoogte verliezen totdat we uiteindelijk de formatie moesten verlaten, ergens boven Noord-Duitsland. Ik weet niet wat er met de rest van onze formatie is gebeurd. Ik ben er nooit achter gekomen hoeveel van hen Münster hebben gehaald en of de missie succesvol was! Op dat moment wist ik alleen dat we moesten omkeren en proberen ons vliegtuig en onszelf heelhuids terug naar Engeland te krijgen. We ontdekten dat we prima konden vliegen op ongeveer vijfduizend voet. Maar we moesten onze bommen laten vallen om het vliegen makkelijker te maken en de motoren minder te belasten. Ik weet niet zeker of we op dat moment nog boven Duitsland vlogen, maar er was geen afweer vanaf de grond. Ik zag geen steden onder ons, zelfs geen boerderijen. Er was niets anders dan akkerland, dus uiteindelijk lieten we al onze bommen vallen op het veld van een arme boer. Waarschijnlijk rapen of koolraap. Ik zag de deuren van het bommenruim opengaan en ik zag de bommen vallen. Ik zag de rook van de explosies toen ze de grond raakten. Ik vond het heel erg dat we die bommen boven een burgergebied lieten vallen in plaats van boven ons doel. We hadden niets anders kunnen doen. We moesten onze ladders lichter maken om onszelf de beste kans te geven om terug naar Engeland te komen. Bovendien hadden we nooit kunnen landen in Horham of ergens anders met een volle lading bommen. Ze zouden waarschijnlijk op de landingsbaan zijn ontploft.” Vervolgde Sergeant Dale Wilfred Aldrich zijn verhaal.

Niet veel later zag de bemanning een aantal P-47 Thunderbolts en P-38 Lightnings op lagere hoogte voorbij vliegen. Kort dachten ze dat ze een escorte zouden krijgen, maar één van de piloten deelde via de radio aan Second Lieutenant Maurice Wesley Mangis mede dat ze te weinig brandstof hadden en zo snel mogelijk terug moesten keren naar Engeland. B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’ en haar bemanning stonden er toch echt alleen voor.

B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’, het onderste toestel, in formatie met P-47 Thunderbolt escortejagers onderweg naar Emden. Vermoedelijk op 11 december 1943, de eerste missie van de bemanning onder leiding van Second Lieutenant Maurice Wesley Mangis.

Bron: American Air Museum (UPL 19224)

Bommenrichter Second Lieutenant Leonard Joseph ‘Len’ Celusnak vervolgde in het verhaal: “Een paar seconden nadat de bommen waren losgelaten, viel motor #3 ook uit. We vlogen in de vaanstand en moesten nog verder naar beneden. Na een paar minuten waren we alleen – één toestel boven Duitsland en nog kreupel ook, met twee motoren uit. Maar we waren niet lang alleen. Zes vijandelijke jagers besprongen ons boven Nederland, vier Ju 88’s en twee 190’s. De 88’s vuurden raketaanvallen van voren en van achteren. Die aan de voorkant raakten de #4 motor, waardoor die in brand vloog en een andere raakte onze lege Tokio gastank, aan de binnenkant van de rechtervleugel. De dampen in de tank explodeerden waardoor de rechtervleugel doormidden brak en ging bungelen. De hele vleugel begon te smelten van de hitte.

Ook Sergeant Dale Wilfred Aldrich wist zich de aanval nog goed te herinneren: “Ik weet niet hoeveel gevechtsvliegtuigen er waren – te veel om te tellen. Het kan een heel eskader geweest zijn. Ik weet alleen dat ze snel uit alle richtingen kwamen en allemaal op ons schoten. Ik herkende dat sommige Ju 88’s waren – we noemden ze Junkers. Ik zag ook enkele Messerschmitts en ik ben er vrij zeker van dat het 109’s waren. Ik begon terug te schieten, maar ik kon niet zien hoeveel we er hadden neergeschoten. Ik had moeite om iets te zien omdat mijn bril helemaal beslagen was. De Duitsers hebben minstens twee of drie keer op ons geschoten. Eén van hen moet onze nummer vier, onze rechtermotor, hebben geraakt. Alleen een voltreffer kon zo’n brand veroorzaken. Een paar seconden daarna kwam Mangis over de koptelefoon en zei: “Bereid je voor om te springen!” Ik zag dat onze rechtervleugel in brand stond. Daar zat onze brandstof, in de vleugeltanks, dus ik wist dat ik snel uit dat vliegtuig moest. Ik greep naar mijn borstparachute en maakte hem vast aan de rand van mijn harnas. Het eerste wat me opviel was de deur naar het radiocompartiment. Die was nog steeds gesloten. Ik weet niet waarom ik de deur opende, maar ik deed het. Toen zag ik dat Dabney nog steeds binnen was, nog steeds op de gevechtsvliegtuigen aan het schieten. Ik denk dat hij door alle commotie de bevelen van de piloot niet had gehoord. Ik schreeuwde naar hem: “Kom op, Dabney! Spring eruit!” en toen zag ik hem stoppen met schieten en richting het bommenruim gaan.

Dat was waar zijn nooduitgang was, maar ik zag hem er niet uit springen. Toen draaide ik me om en liep langs de zijluikschutters. Ze hadden toen al weg moeten zijn, maar ik kon zien aan de manier waarop ze hun handen over hun oren hielden dat ze moeite hadden met horen. Ik was er vrij zeker van dat ze het bail-out bevel niet hadden gehoord, dus zwaaide ik naar ze om hun aandacht te trekken. Ze keken me allebei aan en ik weet zeker dat ze me gezien moeten hebben. Ik schreeuwde ook naar hen: “Kom op!” zo hard als ik kon. Ik weet niet of ze me gehoord hebben. Toen hoorde ik een grote explosie en ik zag dat die twee in hun hoofd werden geschoten. Ik denk dat het een 20mm projectiel moet zijn geweest, want het scheurde een deel van hun hoofd af, net boven hun wenkbrauwen. Ik stond vlak naast ze, in dezelfde vuurlinie, maar het waren lange kerels – allebei meer dan 1.80 meter. Als ik net zo lang was geweest als zij, had ik het zeker ook gekregen. Het enige wat me uit de weg van het kanon hield, was dat ik maar 1,65 m lang was. Zoals het was, kreeg ik alleen maar kruitbrandwonden op mijn gezicht en de explosie sloeg me neer. Toen ik weer overeind kwam, zag ik dat een van de zijluikschutters net tegen de wand van het vliegtuig lag. Dat was Bill McMaster. Ik wist meteen dat hij dood was. De andere zijluikboordschutter, Jack Short, was op zijn knieën gevallen. Eerst dacht ik dat hij misschien nog leefde, maar toen viel hij voorover op zijn gezicht. Toen zag ik een heleboel gaten in zijn helm. Er spoot bloed uit de gaten, dus ik wist dat hij ook dood was.

Ik dacht eraan dat Jack misschien nog leefde als hij en ik niet van plaats hadden geruild in Moses Lake. Ik had zijluikschutter moeten zijn. Hij had daar beneden in de buikkoepel moeten zitten. We ruilden van plaats omdat hij te lang was om een buikkoepelschutter te zijn, maar zijn naam was Jack Short en hij stierf op zijn eenentwintigste verjaardag. Toen herinnerde ik me dat ik nog één keer naar Bill McMaster keek. Hij kwam uit Mississippi, een van die “y’all” soort jongens. Hij was getrouwd en had twee kinderen, en ik dacht aan de tijd dat ik hen ontmoette, toen wij boordschutters allemaal samen waren in die hotelkamer in Walla Walla. Ik moest denken aan zijn vrouw en hoe bezorgd en bang ze was, niet alleen voor Bill, maar voor ons allemaal. We waren de boordschutters en we waren maatjes. We dronken samen bier, we hadden goede tijden gehad en we gaven echt om elkaar. Jack en Bill – ze waren allebei te jong om te sterven. Ik was zelf pas tweeëntwintig. Sindsdien heb ik altijd gezegd dat tweeëntwintig mijn geluksgetal moet zijn. We waren bommenwerperbemanning nummer tweeëntwintig, ik was tweeëntwintig jaar oud en het was tweeëntwintig december. Het was de ergste dag van mijn leven, maar ik leefde nog.

Naast de twee zijluikschutters, slaagden ook beide piloten er niet in tijdig het toestel te verlaten. Navigator Second Lieutenant Ernest James ‘Jack’ Bennett kon hier iets over vertellen: “Don was klaar om uit het vliegtuig te springen op het moment dat ik vertrok, maar ging terug naar de stoel van de piloot om te proberen Lt. Mangis te helpen die moeite had om zijn parachute om te doen. Ik en de bemanning zijn van mening dat Don zijn leven gaf om een vriend te helpen. Het vliegtuig stond in brand en tolde op dat moment en stortte neer en explodeerde binnen een minuut nadat ik het vliegtuig had verlaten. De laatste woorden die ik van Don hoorde waren “Tally Ho, Gang.” Sgt. Tracy en Sgt. Dabney schoten elk een Duits vliegtuig neer gedurende deze tijd. Sgt. Dabney schoot het toestel neer dat Short en McMasters doodde. Sgt. Dabney en ik landden vlak bij elkaar en na ons ongeveer twee dagen in de bossen te hebben verstopt, namen we contact op met de ondergrondse.” Zowel Second Lieutenant Ernest James ‘Jack’ Bennett als Staff Sergeant Richard Clark ‘Dick’ Dabney wisten te ontkomen aan Duits gevangenschap en wisten met behulp van de ondergrondse België te bereiken. Hier werden ze beiden op 21 juni 1944 uiteindelijk gearresteerd. Meer hierover valt te lezen in bovenstaande biografieën van beide bemanningsleden.

Op 22 december 1943 stortten er nog meer vliegtuigen neer in Drenthe. Een aantal hiervan zijn door Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe voorzien van een Lost Wings informatiepaneel. Zie het kaartje voor de andere crashes:

Klik hier voor meer informatie!

Klik hier voor meer informatie!

Klik hier voor meer informatie!

Het duurde niet lang voor ook de instanties op de hoogte waren van het neerstorten van het toestel rond 14:30 uur:

Op woensdag, twee en twintig December 1943, te omstreeks 14.00 uur, zag ik, Jacob Zwier, Opperwachtmeester, behorende tot opgemelde Groep Post Kerkenbosch, terwijl ik mij bevond op den openbare weg te Steenbergen, gemeente Zuidwolde, dat een vliegtuig neerstortte noordwestelijk van genoemd gehucht Steenbergen. Na mij onmiddellijk naar de plaats waar bedoeld vliegtuig was neergekomen te hebben begeven zag ik aldaar te Lageveen, gemeente Zuidwolde, in een perceel weiland, dit vliegtuig, dat van Amerikaansche nationaliteit bleek te zijn, liggen.

Vier personen, eveneens van Amerikaansche nationaliteit, die met parachutes uit bovengemeld vliegtuig waren afgesprongen, werden gevangen genomen. Vier andere inzittenden uit dit vliegtuig werden door mij aangetroffen tusschen de wrakstukken daarvan. Zij bleken reeds overleden te zijn. Hun Amerikaansche nationaliteit bleek uit de op hen gevonden herkenningsplaatjes.

Deze 4 lijken zijn op 24 December 1943 gekist en overgebracht naar de Algemeene Begraafplaats te Zuidwolde, waarna zij op 27 December 1943 aldaar onder toezicht van een Beerdigungsoffizier der Duitsche Wehrmacht begraven zijn.

Het neerstorten van dit vliegtuig had overigens geen persoonlijke ongelukken tengevolge, terwijl evenmin materieele schade ontstond.

Het Plaatselijk Hoofd der Luchtbeschermingsdienst in de gemeente Zuidwolde is onmiddellijk van dit voorval in kennis gesteld.

Hiervan door mij op afgelegden ambtseed opgemaakt dit proces-verbaal en overgegeven aan den Heer Postcommandant, teneinde door tusschenkomst van van den Heer Groepscommandant en het Plaatselijke Hoofd der Luchtbeschermingsdienst in de gemeente Zuidwolde te worden verzonden aan de Rijksinspectie voor de Luchtbescherming. Gesloten te Kerkenbosch, 28 December 1943.

Het neerschieten van B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’ werd uiteindelijk toegeschreven aan Leutnant Karl-Heinz Kempf (ingevoegd), vliegende in Bf 109G-6/U4 Wnr. 440012 van 11. Staffel, Jagdgeschwader 26. Hij claimt om 14:08 uur een Fortress II, 10 kilometer ten oosten van Meppel. Leutnant Karl-Heinz Kempf werd waarschijnlijk zelf geraakt door het afweervuur van de boordschutters van B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’; hij raakte gewond en was uiteindelijk ten noorden van Rheine genoodzaakt zijn toestel te verlaten. In totaal behaalde Leutnant Karl-Heinz Kempf 64 overwinningen in 445 gevlogen missies, voor hij uiteindelijk zelf op 3 september 1944 in België werd neergeschoten en sneuvelde.

Laten we de herinnering levendig houden aan wat Second Lieutenant Maurice Wesley Mangis, Second Lieutenant Donald Frank ‘Don’ Lembcke, Second Lieutenant Ernest James ‘Jack’ Bennett, Second Lieutenant Leonard Joseph ‘Len’ Celusnak, Staff Sergeant Richard Clark ‘Dick’ Dabney, Staff Sergeant William Ronald ‘Bill’ Tracy, Sergeant Dale Wilfred Aldrich, Sergeant William Henry ‘Bill’ McMaster, Sergeant Jack Bevery Short en Sergeant Anton ‘Tony’ Svoboda Jr. voor onze vrijheid deden.

Maurice W. Mangis

Piloot

KIA

Donald F. Lembcke

Co-piloot

KIA

Ernest J. Bennett

Navigator

EVD/POW

Leonard J. Celusnak

Bommenrichter

POW

Richard C. Dabney

Radiotelegrafist

EVD/POW

William R. Tracy

Boordwerktuigkundige

POW

Dale W. Aldrich

Buikkoepelschutter

POW

William H. McMaster

Rechter zijschutter

KIA

Jack B. Short

Linker zijschutter

KIA

Anton Svoboda

Staartschutter

POW

De gesneuvelde bemanningsleden van B-17G 42-37766 ‘Princess Pat’ werden tijdelijk begraven op de Algemene Begraafplaats te Zuidwolde. Zij werden na de oorlog gerepatrieerd naar het Militaire Ereveld Margraten of terug naar de Verenigde Staten.

Rust in vrede.

De graven van de gesneuvelde bemanningsleden

Heeft u meer informatie over deze crash? Lever het aan!

Bronnen:

  • Archief Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe
  • Nabestaanden Maurice Mangis en Donald Lembcke
  • The Belly Gunner – Carol Egdemon Hipperson
  • Einsatz in der Reichsverteidigung von 1939 bis 1945, Jagdgeschwader 1 und 11 (Teil 1) – Jochen Prien & Peter Rodeike
  • Day Fighters in the Defence of the Reich, a War Diary, 1942-45 – Donald Caldwell

1 Comments

  1. Jan de Lange

    Beantwoorden

    Eindelijk het bord om ze te eren voor hun prestatie. Het was vorig jaar dat ik op zoek ging naar mensen die wisten waar het toestel gecrasht was. Vond dat de crashplaats voorzien moest worden van een informatie herinneringsbord, er werd dus al aan gewerkt. Fantastisch dat hij er nu staat.

Leave Comment

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.