
Breng mij naar het informatiepaneel!
Op 12 augustus 1944 stegen 379 Lancasters en Halifaxes op voor een aanval op Braunschweig. Tegelijkertijd vond er ook een aanval op Rüsselheim met 297 bommenwerpers en nog een drietal andere afleidingsaanvallen plaats. De aanval op Braunschweig gold als een experiment: het doel zou enkel gebombardeerd worden met behulp van de H2S-radar en zonder fysieke markering. De formatie vlogen Nederland ter hoogte van Friesland en Groningen om 23:08 uur binnen. De Duitse luchtverdediging identificeerde het doel initieel als Bremen. Een aantal minuten later werd dit bijgesteld tot Hannover en uiteindelijk om 00:10 uur, 12 minuten nadat het bombardement begon, werd Braunschweig geïdentificeerd als doel.
Eén van de toestellen die naar Braunschweig vloog deze nacht was Lancaster Mk.III LM658 HW-W van RAF 100 Squadron. Dit toestel was om 21:45 uur opgestegen vanaf RAF Grimsby. Het toestel had acht bemanningsleden aan boord. De bemanning werd voor deze missie aangevuld met Flying Lieutenant Christopher Holland, die als co-piloot meevloog om ervaring op te doen. De heenweg verliep soepel, en de bemanning wist succesvol hun bommenlast van 1x2000lbs. HC en 168 containers aan brandbommen.
Vlak na het afwerpen van de bommen werd het toestel geraakt door Duitse Flak. Het toestel raakte beschadigd maar kon nog doorvliegen. Desondanks besloot de bemanning af te wijken van de geplande route die via de Duitse Waddeneilanden liep. In plaats hiervan werd gekozen om een directe koers terug naar Engeland te nemen.
Tussen Osnabrück en Münster werd het toestel onverwachts geraakt door Duitse Flak. Vier Flakeenheden maakte melding hiervan:: 4. leichte Flak-Batterie 762, te Osnabrück en 1. leichte Flak-Batterie 887, 3. leichte Flak-Batterie 747 en 2. leichte Flak-Batterie 747 te Münster. Het toestel raakte zwaar beschadigd en begon te branden, maar bleef nog in de lucht. Het duurde echter niet lang voor het volgende gevaar op de loer lag. Ditmaal was het een Duitse nachtjager, die hoogstwaarschijnlijk aangetrokken was tot het brandende, en daardoor goed zichtbare, toestel. Deze nachtjager werd gevlogen door Feldwebel Robert Koch van 6. Staffel, Nachtjagdgeschwader 1. Hij viel het toestel om 01:05 uur boven het Nederlands-Duitse grensgebied op een hoogte van 5.000 meter aan.
Het neerschieten van Lancaster LM658 HW-W werd zowel toegeschreven aan Feldwebel Robert Koch als de vier Flakeenheden die het toestel op een hoogte van 2000 meter om 01:20 uur “südostwärts Bergentheim, Gemeinde Hardenberg” claimde.

De claim van Feldwebel Robert Koch met daaronder de claims van de vier Flakeenheden
Bron: Bundesarchiv RL_5_1460_0028 & RL_5_1460_0029
Het lot van het toestel was nu bezegeld en de bemanning had door dat zij snel het toestel moesten verlaten. Terwijl zij dit deden ontplofte het toestel. Vier bemanningsleden kwamen hierbij om het leven. Zij werden begraven op de Protestantse Begraafplaats te Hardenberg. Vier bemanningsleden wisten tijdig het toestel te verlaten. Eén van hen, de staartschutter, werd al snel gevangen genomen, maar de overige drie bemanningsleden wisten met behulp van de lokale bevolking onder te duiken.
Piloot Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams werd uit het toestel geslingerd en kwam net op tijd weer bij bewustzijn om zijn parachute te openen voor hij op de grond viel. Zijn landing was hard, en hij raakte gewond aan zijn knieën en hoofd. Na bijgekomen te zijn zette hij koers richting het westen maar na een tijdje besloot hij dat het genoeg was voor deze nacht. Hij besloot zich in een hooiberg in te graven en zich daar schuil te houden. Hij kwam echter tot de onaangename verrassing dat hij niet meer in staat was te lopen. Hierop kroop hij naar de naastgelegen boerderij, waar hij de boer en zijn vrouw wekte. Dit betrof de familie Timmerman. Omdat Albert Timmerman de aanwezigheid van de piloot in zijn boerderij te gevaarlijk vond vanwege een dichtbij wonende NSB’er, werd Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams al de volgende dag naar de familie van der Sluis gebracht. Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams werd in huis genomen en even later geholpen door dokter Post die ingeschakeld was. Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams bleef in totaal zestien dagen ondergedoken bij de familie Van der Sluis.
Om de pakkans te verkleinen werd Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams en Sergeant John A. Downie, die zich in de buurt schuilhield bij boerderij ‘De Vredehoeve’ van Geert Salomons, per vrachtwagen naar Almelo gebracht. Hier brachten zij hun eerste nacht door in de beschuitfabriek van Bolletje Beschuit. De volgende dag ging hun reis verder naar Hengelo, waar ze de rest van de oorlog uitzaten. Beide bemanningsleden probeerden tijdens hun ontduikingsperiode Nederlands te leren en namen deel aan illegale activiteiten van het Nederlandse verzet.

Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams rechts op de foto en Sergeant John A. Downie aan de linker kant op de foto (beide aangegeven met een rode pijl) net na de bevrijding van Hengelo
Het derde ontsnapte bemanningslid betrof Flying Officer Gerald Hood. Hij kwam achter de boerderij van Rosink aan de Gouden Ploeg terecht. Die schakelde Dokter Post en Dominee Dijkhuis in voor geneeskundige hulp en vertalingen. Gerald Hood werd kort verstopt bij de familie Haandrikman, dichtbij de Kloosterdijk. Daarna kwam hij via bemiddeling van Oosterveen terecht bij de familie de Bruin aan de Stenendijk te Beerzerveld. Zij hadden contact met Gerrit-Jan Piksen uit Nijverdal, die Gerald Hood voor lange tijd onderbracht bij de familie ter Avest in Zuna; daarna werd hij ondergebracht bij de familie van der Wal in Nijverdal.
In de nacht van 13 op 14 maart 1945 was zoon van de familie Van der Wal, Bote van der Wal tijdelijk thuis voor een verjaardagsfeest. Hij verbleef normaliter niet thuis, omdat hij weigerde de loyaliteitsverkaring voor studenten te tekenen. De aanwezigheid van Bote van der Wal werd opgemerkt door een plaatselijke nazi-sympathisant die het aan de autoriteiten meldde. Rond 01.30 uur werd het huis omsingeld door een detachement van de Almelose SD onder leiding van een Hauptmann Bakker. Ze gingen het pand binnen en na een uitgebreide zoektocht van bijna drie uur hadden ze nog steeds niets gevonden. Hoewel goed verborgen, besloten Bote van der Wal en Flying Officer Gerald Hood zich over te geven toen ze vreesden voor de veiligheid van de andere aanwezigen in het huis. Nadat Bote van der Wal was geïdentificeerd, waren de Duitsers in eerste instantie in verwarring over de identiteit van Flying Officer Gerald Hood, totdat ze zijn identificatieplaatje ontdekten. Beide mannen werden gearresteerd en onder schot op de fiets afgevoerd naar de gevangenis van Almelo.
De volgende dagen werd Flying Officer Gerald Hood ondervraagd door de goed Engelssprekende Oberfeldwebel Georg Otto Sandrock. Dit gebeurde onder bevel van SS Untersturmführer Paul Hardegan, de commandant van de lokale SD en een toegewijde nazi met een reputatie voor wreedheid jegens gevangenen.
Omdat de Duitsers niet in staat waren Flying Officer Gerald Hood te verbinden aan een Britse vliegtuigcrash nabij Nijverdal werd Flying Officer Gerald Hood veroordeeld als vijandelijk spion. De straf die hierop stond was een ter doodveroordeling. In de avond van 21 maart 1945 werd Flying Officer Gerald Hood in een Duitse stafauto gestopt die hem richting Zenderen voerde. In de auto zaten ook Oberfeldwebel Georg Otto Sandrock en twee Duitse SD-agenten; Ludwig Schweinberger en Franz Josef Hegeman.
Aangekomen bij het bos net voor Zenderen werd Flying Officer Gerald Hood uit de auto gemaand. Hij werd bevolen het pad het bos in te lopen, gevolgd door Oberfeldwebel Georg Otto Sandrock en Ludwig Schweinberger. Flying Officer Gerald Hood zei iets in het Engels, dat Oberfeldwebel Georg Otto Sandrock later verklaarde niet te begrijpen, dit waren de laatste woorden van de drieëntwintigjarige Engelse officier. Ludwig Schweinberger hief het pistool en schoot één keer in Flying Officer Gerald Hoods nek, bij de basis van zijn schedel. Ze controleerden of hij dood was en deden zijn horloge af en sleepten zijn lichaam zonder pardon verder het bos in, waar het werd gestript en begraven in zachte aarde, dicht bij een bomkrater. Twee dagen later onderging Bote van der Wal hetzelfde lot op precies dezelfde plek als zijn vriend Flying Officer Gerald Hood.
Het lichaam van Flying Officer Gerald Hood werd na de oorlog gevonden en begraven op de Algemene Begraafplaats te Almelo.
Na de oorlog werden Oberfeldwebel Georg Otto Sandrock en Ludwig Schweinberger schuldig bevonden en ter dood veroordeeld en op 13 december 1945 in Hamelen opgehangen. Paul Hardegen werd nooit gearresteerd.
Laten we de herinnering levendig houden aan wat Flight Lieutenant Harold ‘Bill’ Paston-Williams, Flight Lieutenant Christopher Holland, Flying Officer Gerald Hood, Sergeant John A. Downie, Flight Sergeant Laurence Roy Watts, Pilot Officer Benjamin Ramsden, Flight Sergeant Robert Stanley ‘Stan’ Williams en Flying Officer Bruce Arnold David voor onze vrijheid deden.

Harold Paston-Williams
Piloot
EVD

Christopher Holland
Co-piloot
KIA

Gerald Hood
Navigator
EVD/EXC

John A. Downie
Boordwerktuigkundige
EVD

Laurence R. Watts
Radiotelegrafist
KIA

Benjamin Ramsden
Bommenrichter
KIA

Robert S. Williams
Rugkoepelschutter
KIA

Bruce A. David
Staartschutter
POW
De gesneuvelde bemanningsleden van Lancaster LM658 HW-W liggen begraven in de Commonwealth War Graves sectie van de Protestantse Begraafplaats te Hardenberg.
Rust in vrede.





De graven van de bemanningsleden te Hardenberg en Almelo
Heeft u meer informatie over deze crash? Lever het aan!
Bronnen:
- Archief Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe
- Nachtjagd Combat Archives – Theo Boiten
- www.lancaster-lm658.co.uk
Het plaatsen van dit informatiepaneel is een initiatief van Werkgroep Bergentheim 80 jaar Bevrijding. Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe heeft hier aan meegewerkt door het verschaffen van informatie.
