
Breng mij naar het informatiepaneel!
In de nacht van 7 op 8 november 1941 stegen 392 Britse bommenwerpers op voor verschillende aanvallen op doelen in Duitsland. Twee kleine vloten vlogen naar Keulen en Mannheim, terwijl het grootste deel (169 toestellen) Berlijn als doel had. De vloot, die voornamelijk uit tweemotorige bommenwerpers zoals de Vickers Wellington en Armstrong Whitworth Whitley bestond, had moeite om Berlijn te bereiken. Deze bommenwerpers, die eigenlijk ongeschikt waren om zulke afstanden af te leggen, hadden ook nog eens te kampen met sterke wind en ijsvorming. Grotendeels hierdoor wisten maar 73 toestellen Berlijn daadwerkelijk te bereiken. Echter was de vloot zo erg uitgesmeerd, dat Berlijn tussen 22:05 en 04:02 uur (lokale tijd) werd gebombardeerd. Dit alles leidde tot grote verliezen aan Britse kant: in totaal keerden 37 toestellen niet terug. Dit betekende een verliespercentage van 9.4%.
Eén van deze toestellen die niet terugkeerde was Whitley Mk.V Z6839 MH-O. Dit toestel, wat toebehoorde aan RAF 51 Squadron, en zou om 22:29 uur (Engelse tijd) opgestegen van RAF Dishforth. Echter, door problemen met de linker motor die niet wilde starten, werd het opstijgen voor ‘O for Orange’ een half uur uitgesteld. Vermoedelijk had het toestel 1x1000lbs, 3x500lbs en twee containers met 4lbs brandbommen aan boord die bestemd waren voor de Duitse hoofdstad. Aan boord bevonden zich twee Canadese en drie Britse bemanningsleden. De gebruikelijk staartschutter werd in verband met ziekte vervangen door Sidney Wilkins.

Een groepsfoto van de bemanning van Alfred MacMurray. Van links naar rechts: Jack Telfer, Alfred MacMurray, Onbekend, Charles Kelly en Arthur Robottom
Bron: Gevleugeld Verleden – Ab A. Jansen
Voor meer informatie over de bemanning van Whitley Z6839 MH-O, klik op onderstaande uitvouwbare balk.
Sergeant Alfred Weldon ‘Mac’ MacMurray
Alfred Weldon ‘Mac’ MacMurray werd geboren op 21 juni 1920 als zoon van James MacMurray en Katherine Atkinson Weldon te Newcastle, New Brunswick, Canada. Mac had één broer.
Na het afronden van zijn opleiding aan Moncton High School ging Mac werken bij Canadian Oil Companies, Limited. Mac stond bekend in de lokale atletiek en sociale kringen. Mac blonk uit in basketbal en wist met zijn team de Maritime Championship te winnen.
Op 18 juli 1940 meldde Mac zich aan voor bij de Royal Canadian Air Force. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot piloot. Mac kreeg identificatienummer 'R/64815'. Mac volgde zijn opleiding aan de Initial Training School te Regina en Elementary Flying Training School te Lethbridge. Op 14 februari 1941 ontving Mac zijn 'wings' te Calgary. In maart stapte Mac op de boot richting Engeland, waar hij het laatste deel van zijn opleiding volgde. Hierna werd hij in juli 1941 toebedeeld aan RAF 51 Squadron. Hier vloog hij de volgende missies:
3 op 4 augustus 1941; Frankfurt, in Whitley Z6554 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
14 op 15 augustus 1941; Hannover, in Whitley Z6839 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
24 op 25 augustus 1941; Düsseldorf, in Whitley Z6839 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
27 op 28 augustus 1941; Mannheim, in Whitley Z6839 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
29 op 30 augustus 1941; Frankfurt, in Whitley Z6480 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
Op 1 september 1941 werd Mac bevorderd tot Flight Sergeant.
7 op 8 september 1941; Berlijn, in Whitley Z6480 (tijdens deze missie vloog Mac mee als copiloot)
13 op 14 september 1941; Brest, in Whitley Z6839
15 op 16 september 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (tijdens deze missie week de bemanning uit naar Wilhelmshaven)
29 op 30 september 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (tijdens deze missie week de bemanning uit naar Kiel)
1 op 2 oktober 1941; Stuttgart, in Whitley Z6839
31 oktober op 1 november 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (de missie werd na zo'n twee en een half uur vliegen afgebroken door problemen met de stuurboord motor. De bommen werden afgeworpen op een Duits schip wat de bemanning op de terugweg tegen kwam)
7 op 8 november 1941; Berlijn, in Whitley Z6839 (van deze missie keerde de bemanning niet terug)
Tijdens de laatste missie van Mac wist hij het toestel tijdig te verlaten. Mac werd nog dezelfde dag gevangengenomen en afgevoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Hier werd hij ondervraagd; "de gebruikte methode was het stellen van zeer lastige vragen, dat was alles" noteerde Mac in 1945. Na zijn verhoor werd Mac overgebracht naar Stalag VIIIb te Lamsdorf. Hier was hij tot mei 1942 te vinden, waarna hij werd overgebracht naar Stalag Luft III. Vervolgens ging Mac in juni 1943 naar Stalag Luft VI en in juli 1944 naar Stalag Luft IV. De laatste dagen van zijn krijgsgevangenschap bracht Mac in april 1945 door te Stalag 357. Hier werd Mac uiteindelijk bevrijdt.

Een artikel geplaatst in de Times Colonist op 19 juni 1945 over bevrijdde vliegeniers. Links op de linker foto is Mac te zien.
Na zijn bevrijding keerde Mac terug naar Canada. Hier trouwde hij op 25 juni 1945 met Margaret Lillian Richardson te Moncton, New Brunswick. Samen kregen zij drie kinderen.
In mei 1977 was Mac als voorzitter van de Moncton Prisoner of War Association uitgenodigd voor een internationale reünie met mede-krijgsgevangenen te Engeland. Zij werden die dag vergezeld door Prince Phillip. Na deze reünie maakte Mac een uitstapje naar Nederland waar hij onverwacht op 18 mei 1977 te Amsterdam kwam te overlijden.
Sergeant Arthur James Robottom
Arthur James Robottom werd geboren op 30 december 1921 als zoon van Arthur James Robottom en Margaret Jane Jones te Deri, Wales. Arthur had één zus, één broer en één broertje.
Na het afronden van zijn basisopleiding ging Arthur naar school voor 'arts and crafts'. Hierna meldde hij zich op 17 juli 1940 aan voor bij de Royal Air Force. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot piloot. Arthur kreeg identificatienummer '1257886' en volgde zijn opleiding onder andere bij No.19 Operational Training Unit (OTU) waar hij deel uitmaakte van 26 Course, welke aanving op 11 augustus 1941.
26 Course van No.19 OTU met Arthur op de achterste rij, derde van links
Na het afronden van zijn opleiding werd Arthur toebedeeld aan RAF 51 Squadron. Hier vloog hij de volgende missies:
31 oktober op 1 november 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (de missie werd na zo'n twee en een half uur vliegen afgebroken door problemen met de stuurboord motor. De bommen werden afgeworpen op een Duits schip wat de bemanning op de terugweg tegen kwam)
7 op 8 november 1941; Berlijn, in Whitley Z6839 (van deze missie keerde de bemanning niet terug)
Tijdens zijn laatste missie slaagde Arthur erin zichzelf in veiligheid te brengen, ondanks bevriezingsverschijnselen aan zijn voet. Arthur werd nog diezelfde dag gevangengenomen en afgevoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Na hier ondervraagd te zijn werd Arthur overgebracht naar Stalag VIIIb en in mei 1942 naar Stalag Luft III. Hier ondernam Arthur een ontsnappingspoging, maar de tunnel die hij samen met anderen had gegraven werd al vroegtijdig ontdekt. Vervolgens werd hij in juni 1943 overgebracht naar Stalag Luft VI en in augustus 1944 naar Stalag 357. Hier werd hij uiteindelijk in april 1945 bevrijdt.

De krijgsgevangenekaart van Arthur, opgemaakt door de Duitsers na zijn gevangenname
Na zijn bevrijding keerde Arthur terug naar Wales. Hier trouwde in hij 1954. Het is onbekend wanneer Arthur kwam te overlijden.
Sergeant Charles Joseph ‘Charlie’ Kelly
Charles Joseph ‘Charlie’ Kelly werd geboren op 21 februari 1921 als zoon van Charles David Kelly en Rose Frances Fay te Ottawa, Canada. Charlie had zowel een broer als een broertje.

Charlie (nummer 44) bij het lokale footballteam
Al voor de oorlog meldde Charlie zich aan voor bij het leger. Hier werd hij toegelaten en werd hij toebedeeld aan een artillerie eenheid. In 1940 meldde Charlie zich aan voor bij de Royal Canadian Air Force. Ook hier werd hij toegelaten, waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot waarnemer. Charlie kreeg identificatienummer 'R/54380'. Charlie rondde zijn opleiding af en werd vermoedelijk eerst bij een ander Squadron gestationeerd, voor hij uiteindelijk werd toebedeeld aan RAF 51 Squadron. Hier vloog hij de volgende missies:
31 oktober op 1 november 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (de missie werd na zo'n twee en een half uur vliegen afgebroken door problemen met de stuurboord motor. De bommen werden afgeworpen op een Duits schip wat de bemanning op de terugweg tegen kwam)
7 op 8 november 1941; Berlijn, in Whitley Z6839 (van deze missie keerde de bemanning niet terug)
Tijdens de laatste missie van Charlie slaagde hij erin het toestel tijdig te verlaten. Bij de landing bezeerde Charlie zijn knieën, waardoor hij al snel gevangen werd genomen.
"Ik zat eerst in Frankfurt en toen verhuisden ze me naar Friesing, vlakbij München, en daarna naar een plaats net buiten Neurenberg. En van daaruit ging ik naar Polen. Ik was in Polen met de oprukkende Russen en we marcheerden voor hen uit. Dat was in januari en februari met onze zomerkleren aan. Dus het was niet de warmste situatie. We kwamen terug van het front van de Russen. Ik kwam tot ongeveer 15 mijl ten zuiden van Berlijn. Ik zat daar in een kamp en toen besloten een vriend en ik dat ze ons aan het insluiten waren, dus vertrokken we. We liepen een groot deel van de weg, liftten en zo. We kwamen terug bij de Amerikaanse linie.
We zaten voor de Russen en we waren op weg naar de Amerikaanse linie, maar ze trokken zich terug. Er was een overeenkomst met de Russen. Maar we kwamen zo ver. Maar ze maakten de fout om ons te voeden en we konden niets vasthouden. Een lepel of twee, dat was veel. Dus brachten ze ons naar een stad genaamd Halle, H-A-L-L-E, in Duitsland. En daar controleerden ze je om er zeker van te zijn dat je was wie je zei dat je was. Toen ze ons eenmaal hadden goedgekeurd, vlogen ze ons van daaruit naar Brussel en in Brussel besloten ze me - hoewel ik bij de RAF vloog - naar Bournemouth in Engeland te brengen, een Canadees station... dus vanaf het moment dat ik vertrok op die laatste vlucht, heb ik nooit meer iets gehoord van de Royal Air Force. Ze kwamen er niet achter wat er gebeurd was. Hoe dan ook, vanuit Bournemouth werd ik uiteindelijk naar huis gebracht. Maar ik lag ongeveer 6 weken in het ziekenhuis in Bournemouth. Mijn vriend, hij was nog maar een jaar gevangene, dus hij was in orde en hij kwam thuis, hij kreeg een schip, en ik miste het omdat ik in het ziekenhuis lag. Maar uiteindelijk... kwam ik in Halifax aan en vandaar werd ik per spoor naar Montreal vervoerd, daar werd ik uitgecheckt en toen stuurden ze me naar Ottawa, terug naar huis. Ottawa!" Vertelde Charlie na de oorlog.
Terug in Ottawa trouwde Charlie in 1946 met Rita Adeline Tuppins. Samen kregen zij zeven kinderen.

Rita en Charlie
Charlie kwam op 29 maart 2014 te overlijden in het ziekenhuis.

Sergeant John Huggan Telfer
John Huggan Telfer werd geboren op 25 januari 1920 als zoon van William Telfer en Jemima Rea Huggan te Hawick, Schotland. John was de oudste van drie kinderen.
Na zijn opleiding afgerond te hebben ging John werken in een fabriek waar wolgarens werden gemaakt. Op 19 februari 1940 meldde John zich aan voor bij de Royal Air Force. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot radiotelegrafist. John kreeg identificatienummer '978455' en volgde zijn opleiding onder andere bij No.19 Operational Training Unit (OTU) waar hij deel uitmaakte van zowel 10 als 19 Course, welke aanving op 25 oktober 1940 en 16 februari 1941.

10 Course van No.19 OTU met John op de achterste rij, eerste van links
In juli 1941 trouwde John met Alice Shaw.
Na zijn opleiding afgerond te hebben werd John toebedeeld aan RAF 51 Squadron. Hier vloog hij de volgende missies:
15 op 16 september 1941; Hamburg, in Whitley Z6480
29 op 30 september 1941; Hamburg, in Whitley Z9146 (tijdens deze missie week de bemanning uit naar Stettin)
1 op 2 oktober 1941; Stuttgart, in Whitley Z9146 (op de terugweg raakte de bemanning compleet verdwaald. Via een SOS werd uiteindelijk weer contact gelegd met Dishford, die het toestel terugleidde naar Engeland vanuit de kust van Wales. Het toestel landde meer dan twee uur later dan de andere toestellen)
20 op 21 oktober 1941; Wilhelmshaven, in Whitley Z6839
22 op 23 oktober 1941; Mannheim, in Whitley Z9146
31 oktober op 1 november 1941; Hamburg, in Whitley Z6839 (de missie werd na zo'n twee en een half uur vliegen afgebroken door problemen met de stuurboord motor. De bommen werden afgeworpen op een Duits schip wat de bemanning op de terugweg tegen kwam)
7 op 8 november 1941; Berlijn, in Whitley Z6839 (van deze missie keerde de bemanning niet terug)
Tijdens zijn laatste missie slaagde John er in het toestel tijdig te verlaten. John werd nog dezelfde dag gevangen genomen en vervolgens afgevoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Hier zat John tot 15 november 1941, toen hij overgeplaatst werd naar Stalag Luft XIIIb. Vervolgens werd John in mei 1942 overgeplaatst naar Stalag Luft III, in juni 1943 naar Stalag Luft VI en in juni 1944 naar Stalag 357 te Thorn en Fallingbostel. Hier werd John in april 1945 bevrijdt, waarna hij terugkeerde naar Schotland.

De krijgsgevangenekaart van John, opgemaakt door de Duitsers na zijn gevangenname
John kwam op 15 september 1995 te overlijden in Hawick, Schotland.
Sergeant Sidney John Wilkins
Sidney John Wilkins werd geboren op 1 augustus 1909, waarschijnlijk als zoon van John Abraham Wilkins en Emma Shoard, te Enfield, Engeland.
Na het afronden van zijn opleiding ging Sidney werken als transportchauffeur.
Op 7 maart 1939 meldde Sidney zich aan voor bij de Royal Air Force. Hier werd hij toegelaten waarna hij kon beginnen aan zijn opleiding tot boordschutter. Sidney kreeg identificatienummer '636479'. Na het afronden van zijn opleiding werd Sidney toebedeeld aan RAF 51 Squadron. Hier vloog hij de volgende missies:
24 op 25 oktober 1941; Calais, in Whitley Z6665 (de bemanning wist de missie succesvol uit te voeren, ondanks dat de stuurboord motor ter hoogte van Gravelines werd geraakt door Duitse Flak)
31 oktober op 1 november 1941; Hamburg, in Whitley Z6665 (de missie werd afgebroken door problemen met de stuurboord motor)
7 op 8 november 1941; Berlijn, in Whitley Z6839 (van deze missie keerde de bemanning niet terug)
Tijdens de laatste missie van Sidney slaagde hij erin zich tijdig in veiligheid te brengen. Sidney kwam tussen Leermens en Lutjerijp aan de grond.
Met de handen omhoog kwam hij bij enkele arbeiders die op het land aan het werk waren. Het waren twee werknemers van landbouwer F.J. Vos. Ze beduidden de Engelsman naar de buren van hun patroon te gaan, die juist in het dorp was. Deze mensen waren echter zo bang dat ze de vlieger niet in huis durfden te halen, waarop hij weer naar de landarbeiders terugkeerde. Deze namen hem, toen hun wagen was volgeladen met bietenloof mee naar de boerderij van hun werkgever aan de Kapslaan. Hier aangekomen hoorden ze dat deze in het dorp was. Een van hen ging hem onmiddellijk na om te zeggen dat hij direct thuis moest komen, omdat
er een Engelsman bij hem was.
Vos ging mee naar huis en nam de Engelsman, normaal van postuur en volgens zeggen 32 jaar oud, mee naar binnen. Sidney kreeg iets te drinken, maar eten hoefde hij niet. Na een paar uur aan de tafel te hebben gezeten, arriveerden twee Duitse officieren met een soldaat bij Vos, die reeds hadden vernomen dat er bij hem thuis een geallieerde vlieger was. Het feit was uitgelekt, wat betekende dat Sidney alsnog gevangen werd genomen.
Sidney werd vervolgens afgevoerd naar Dulag Luft te Frankfurt. Hierna werd Sidney afgevoerd naar Stalag Luft VIIIb, waar hij op 20 november 1941 aankwam. Op 21 mei 1942 werd Sidney overgebracht naar Stalag Luft III en op 24 juni 1943 naar Stalag Luft VI. Hier zat hij tot 15 juli 1944, waarna hij werd afgevoerd naar Stalag 357. Hier zat Sidney tot 6 april 1945 gevangen. Door het naderende Rode Leger werden de gevangenen op een mars westwaarts gezet. Na een aantal dagen werden de gevangenen uiteindelijk bevrijdt.

De krijgsgevangenekaart van Sidney, opgemaakt door de Duitsers na zijn gevangenname
Na zijn bevrijding keerde Sidney terug naar Engeland. Het is onbekend wanneer hij kwam te overlijden.
Het eerste gedeelte van de heenweg verliep voorspoedig, maar toen het toestel het Duitse grondgebied ter hoogte van Sleeswijk-Holstein naderden, begon de linker motor weer moeilijk te doen: het toerental begon verder en verder te dalen. Piloot Alfred MacMurray keek uit zijn raam en zag dat de propeller nog draaide, maar desondanks liep ook de snelheid van zijn toestel hard terug. Het duurde niet lang voor hij besefte dat de propeller enkel gedraaid werd door de druk van de wind. Tot overmaat van ramp konden de propellers op de Whitley niet in vaanstand gezet worden. Dit betekende dat er voor de bemanning niks meer aan te doen was.
Ondanks de tegenslag besloot de bemanning door te vliegen. Zij wisten dat ze Berlijn niet zouden redden op één motor, en besloten daarom uit te wijken naar Rostock. Tegen 03:00 uur naderde het toestel op een hoogte van zo’n 4000 meter zijn doel. Tot hun verbazing was Rostock al aardig opgelicht, wat betekende dat zij niet de enigen waren die besloten hadden uit te wijken naar Rostock.
Toen Charles Kelly, die ook als taak had de bommen af te werpen, zich van zijn waarnemerstafel naar het bomvizier begaf, werd het toestel opgeschud door een Duitse Flakgranaat. Het toestel werd in de staart geraakt waardoor het roer beschadigd raakte. De staartschutter raakte niet gewond. Niet lang hierna werden de bommen afgeworpen op een spoorwegemplacement wat bij Charles Kelly in het vizier was gekomen.
Ondanks alle tegenslag besloot Alfred MacMurray niet uit te wijken naar het nabije en neutrale Zweden, maar om toch terug te vliegen naar Engeland. Naarmate de tijd vorderde, begon het toestel steeds lager te vliegen omdat er met één motor niet genoeg snelheid gecreëerd kon worden. Besloten werd om alle overbodige uitrustingsstukken uit het toestel te gooien om het zo licht mogelijk te maken. Tot overmaat van ramp begonnen de brandstofvoorraad, die sneller dan gebruikelijk waren opgebruikt door de hardwerkende ene motor, ook het einde te naderen.
Het toestel was enigszins afgedreven naar het zuiden, en was hiermee boven Oost-Friesland gekomen. Toen het toestel boven Emden vloog, werd het opnieuw door Duitse Flak getroffen, ditmaal in de linkervleugel. Toen het toestel de Dollard op zo’n 150 meter hoogte overvloog was het overduidelijk dat het toestel niet meer te houden was. Het toestel zond om 05:56 uur nog een laatste ‘mayday’ uit toen het boven de Noord-Nederlandse kust vloog. Uiteindelijk was de bemanning uiteindelijk boven Noordoost-Nederland genoodzaakt het toestel te verlaten. “Abandon aircraft, all crew to front of aircraft“, riep Alfred MacMurray. Eén voor één sprongen de bemanningsleden uit het toestel en wisten allen heelhuids de grond te bereiken.
Het toestel, wat op automatische piloot nog een stukje doorvloog, kwam uiteindelijk net buiten ’t Zandt aan de grond (ongeveer een kilometer vanaf het informatiepaneel). De heer H. Roelfsema, die die ochtend zou beginnen met het ploegen van een stuk land net buiten ’t Zandt, stond nog even te praten met een andere arbeider:
“Wat is dat voor een vreemd geluid; het kon wel eens een vliegtuig zijn dat is aangeschoten. We hadden het nog niet gezegd, of aan de andere kant van het land vloog een vliegtuig heel laag in de richting van de weg. Aan de weg stond een tweetal circa twee meter hoge palen in de grond, waarvan één door het vliegtuig werd geraakt. Op dat moment wisten we dat echter nog niet, maar toen we er even later langs kwamen zagen we dat één van de palen vernield was. Na de paal te hebben geraakt, is het vliegtuig teruggekeerd en stortte het na vlak langs ons heen te zijn geschoten neer op een perceel bouwland, circa 600 meter van de Westerweg. Brokstukken van het vliegtuig vlogen ons om de oren, maar gelukkig werden we niet getroffen. Het vliegtuig brandde niet. We hadden de grootste moeite onze paarden in bedwang te houden en zodoende konden we niet goed op het vliegtuig letten, zodat ik niet kan zeggen welk type het was. Het kwam neer vlak achter het stuk land waar onze ploegen stonden.“
Het duurde niet lang voor er meer mensen waren komen kijken. Ook de lokale wachtmeester had het gebeuren vernomen.
“Hedenmorgen, 8 november 1941 omstreeks 7.45 uur, hoorde ik, Hendrik Tigelaar, Wachtmeester der marechaussee te ’t Zandt terwijl ik mij in mijn woning bevond, dat een vliegtuig zeer laag vloog. Plotseling eindigde het motorgeronk, zodat ik vermoedde dat het vliegtuig was neergestort. Ik begaf mij naar buiten en nam een vuurgloed waar, Noordwestelijk van het dorp ’t Zandt.
Ik begaf mij terstond daarheen en zag dat een vliegtuig was neergestort op een perceel bouwland op ongeveer 1 k.m. afstand van de bebouwde kom van het dorp ’t Zandt. Mogelijk uit het vliegtuig afkomstige personen werden door mij niet aangetroffen. Het vliegtuig was geheel vernield en gedeeltelijk verbrand. Brokstukken van het vliegtuig lagen over een vrij grote oppervlakte verspreid. Blijkens de ter plaatse aanwezige sporen is het vliegtuig vanuit een westelijke richting gekomen. Enige telefoondraden werden vernield. Persoonlijk ongelukken deden zich niet voor. De bemanning heeft vermoedelijk met valschermen het vliegtuig verlaten.
Bij mijn aankomst was reeds enig publiek ter plaatse. Met behulp van gemeentepersoneel is het terrein door mij ontruimd en afgezet. De resten van het vliegtuig zullen tot nader order worden bewaakt. Blijkens opschriften van ter plaatse aanwezige voorwerpen is het vliegtuig van Engelsche nationaliteit. Naar mij ter ore is gekomen hebben vijf Engelsche militairen, met valschermen het vliegtuig verlaten, waarvan reeds drie personen zijn aangehouden.”
Aldus het proces verbaal van Wachtmeester Hendrik Tigelaar.
Uiteindelijk werden alle vijf bemanningsleden krijgsgevangene gemaakt. Drie van hen werden eerst naar Bierum gebracht, waar zij in de lokale kazerne werden ondergebracht. Hierna werden zij afgevoerd naar Dulag Luft te Frankfurt am Main. Hier werden zij ondervraagt om vervolgens afgevoerd te worden naar verschillende krijgsgevangenenkampen waar ze de rest van de oorlog uitzaten.
Laten we de herinnering levendig houden aan deze gebeurtenis en Sergeant Alfred Weldon ‘Mac’ MacMurray, Sergeant Arthur James Robottom, Sergeant Charles Joseph ‘Charlie’ Kelly, Sergeant John Huggan Telfer en Sergeant Sidney John Wilkins.

Alfred W. MacMurray
Piloot
POW

Arthur J. Robottom
Co-piloot
POW

Charles J. Kelly
Waarnemer
POW

John H. Telfer
Radiotelegrafist
POW

Sidney J. Wilkins
Staartschutter
POW
Heeft u meer informatie over deze crash? Lever het aan!
Bronnen:
- Archief Stichting Luchtoorlog Onderzoek Drenthe
- Nachtjagd Combat Archives – Theo Boiten
- Gevleugeld Verleden – Ab A. Jansen
- Historische Vereniging dorpen oud gemeente ’t Zandt
- Bram van Dam

